Regionaal Convenant
Landelijk Kader Nederlandse Politie 2007
Regionaal convenant Politiekorps Gelderland-Zuid 2007Inleiding
Dit regionaal convenant sluit nauw aan op de door het korps uitgestippelde visie 2007-2010 "veiligheid voorop". Deze visie geeft richting aan de doelen voor de periode 2007-2010 en de wijze waarop het korps die gestelde doelen wil bereiken. Het hoofddoel: Onder regie van het Regionaal College en in goede afstemming met onze partners leveren van
een politiespecifieke bijdrage aan de veiligheid van de bevolking in de regio Gelderland-Zuid.
De partijen:
1) a) de minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties (BZK),
de heer J.W. Remkes;
b) de minister van Justitie,
de heer dr. E.M.H. Hirsch Ballin;
hierna te noemen 'de ministers';
en:
2) de korpsbeheerder van het regionale politiekorps Gelderland-Zuid,
de heer mr. Th.C. de Graaf;
hierna te noemen 'de korpsbeheerder';
overwegende:
- dat partijen ingevolge het Landelijk Kader Nederlandse Politie 2007 gehouden zijn voor politiekorps Gelderland-Zuid een specifieke uitwerking te maken van de door de regionale politiekorpsen gezamenlijk te behalen resultaatsafspraken, zoals die in dat Landelijk Kader met de daarbij behorende toelichting en bijlagen zijn vastgelegd;
- dat dit regionale convenant moet worden gezien in samenhang met en als nadere uitwerking van dat Landelijk Kader met de daarbij behorende toelichting en bijlagen;
- dat dit convenant bestaat uit een algemeen deel, waarin - duidelijkheidshalve - de reeds in het Landelijk Kader vastgelegde afspraken en verplichtingen herhaald of zakelijk zijn samengevat, en een regiospecifiek deel bevattende het regionale convenant in enge zin waarin de afspraken en verplichtingen uit het Landelijk Kader nader zijn uitgewerkt;
- dat de afspraken een evenwichtig samenstel van maatregelen vormen op de onderdelen opsporing, toezicht en handhaving, dienstverlening en kwaliteit van de politieorganisatie en daarmee een belangrijke impuls geven aan een verdere vergroting van de veiligheid in Nederland;
- dat ten aanzien van de sterktegroei nadere afspraken moeten worden gemaakt. Deze afspraken zullen separaat aan dit regionale convenant worden gemaakt.
verklaren het volgende te zijn overeengekomen:
Algemeen deel (A)
1. Verplichtingen van de zijde van de korpsbeheerder
a. De korpsbeheerder verplicht zich alle nodige maatregelen te treffen die leiden tot het realiseren van de volgende resultaatafspraken:
1.1 Het korps behaalt - in het perspectief van de doorlooptijden in de andere onderdelen van de keten - de Kalsbeeknorm, dat wil zeggen dat tenminste 80% van de processen-verbaal daarvan, binnen 30 dagen na het eerste verhoor van de minderjarige
verdachte door de politie aan het OM wordt aangeboden. Van de verwijzingen naar HALT (via het LOF) dient 80% binnen 7 dagen na het eerste politieverhoor te zijn ontvangen door HALT.
1.2 Het korps draagt er zorg voor dat in 2007 betreffende de telefonische bereikbaarheid en de kwaliteit van de dienstverlening de volgende scores worden behaald:
- Bereikbaarheid Landelijk Telefoonnummer Politie (LTP): 80% van de binnengekomen oproepen wordt binnen 20 seconden beantwoord, 90% van de oproepen wordt binnen 30 seconden beantwoord en 95%
wordt binnen 45 seconden beantwoord; - Kwaliteit dienstverlening Landelijk Telefoonnummer Politie (LTP): het korps haalt in de kwaliteitsmeting minimaal een score van 73;
- Bereikbaarheid 1-1-2: van de oproepen via de vaste telefoonlijn wordt 90% binnen 10 seconden beantwoord, van de oproepen via de mobiele telefoon (KLPD) wordt 90% binnen 10 seconden beantwoord.
b. De korpsbeheerder verplicht zich alle nodige maatregelen te treffen die leiden tot het realiseren van de volgende benchmark afspraken:
Voor de afspraken over criminaliteitsbeeldanalyse en overlast is overeengekomen dat de korpsen en de ministers van BZK en Justitie gezamenlijk een benchmark-instrumentarium uitwerken. Voor de afspraken over diversiteit en integriteit is het uitgangspunt
dat de benchmark op deze afspraken door de korpsen wordt uitgevoerd in onderling overleg met andere korpsen (via een vakgroep of een van de boards).
1.3 Het korps stelt in 2007 een criminaliteitsbeeldanalyse (CBA) zware of georganiseerde criminaliteit op. Daarin wordt ten minste ingegaan op de zes speerpunten die door de ministers zijn vastgesteld met het Nationaal dreigingsbeeld 2004. Tevens wordt
voldaan aan de kwaliteitscriteria die voor de CBA's worden opgesteld.
1.4 Het korps vult in 2007 het Referentiekader Diversiteit in. Het korps zorgt ervoor dat referentie 10 (streefcijfers voor de instroom en doorstroom van de doelgroepen vrouwen en allochtonen) is vastgesteld. Daarnaast verbetert het korps in het jaar 2007
minimaal drie referenties ten opzichte van het jaar 2006. Dit leidt ertoe dat in 2007 het totaal aantal referenties dat oranje of groen is minus het totaal aantal referenties in 2005 dat oranje of groen is, groter of gelijk is aan drie.
1.5 Het korps werkt volgens de 13 basisnormen Integriteit uit de Modelaanpak Integriteitbeleid Openbare Sector en Politie.
C. De korpsbeheerder verplicht ziclt alle nodige maatregelen te treffen die leiden tot het realiseren van de volgende procesafspraken:
1.6 Het korps draagt zorg voor de implementatie van de maatregelen van het verbeterprogramma Opsporing en Vervolging.
1.7 Zodra door de departementen, het OM en de politie programma's ten behoeve van de bestrijding van Financieel-economische criminaliteit en cybercrime zijn opgesteld (2006) en vastgesteld (2007) start het korps met de implementatie en uitvoering van
beide programma's.
1 .8 Het korps deelt regelmatig het discriminatiebeeld met het OM, de lokale overheid en andere relevante partners. Verder implementeert het korps de negen randvoorwaarden discriminatiebestrijding zoals vastgesteld door de RHC in januari 2004. Daartoe
neemt het korps het antidiscriminatiebeleid op in het
korpsjaarplan, houdt het korps een actuele lijst bij met alle discriminatie incidenten en aangiften, bespreekt het korps bovenbedoelde lijst met het OM, de lokale overheid en andere relevante ketenpartners, maakt het korps eenmaal per jaar een cijfermatig
overzicht voor het OM wat er met alle discriminatie aangiften en meldingen is gebeurd en stelt het korps een lid van het RMT/KMT als portefeuillehouder discriminatie aan alsmede een regionaal contactpersoon.
1.9 Het korps draagt er zorg voor dat internationale rechtshulpverzoeken worden geregistreerd en tijdig en adequaat worden afgehandeld. Het korps werkt daartoe met de geldende procesbeschrijvingen voor inkomende rechtshulpverzoeken en het invoerprotocol
LURIS. Verder geeft het korps inzicht (door middel van een registratie) in de doorlooptijden/behandeltijden van rechtshulpverzoeken.
1.10 Het korps stelt in 2007 een overzicht op van jeugdige veelplegers (in de leeftijd van 12 t/m 17 jaar). Met de ketenpartners worden op basis hiervan afspraken gemaakt over het deel van de op dit overzicht voorkomende jeugdige veelplegers dat jaarlijks
kan worden aangepakt.
1.11 Het korps draagt zorg voor implementatie van het werkproces vroegsignalering en doorverwijzing, waarmee geborgd is dat alle minderjarigen die met de politie in aanraking komen en waarbij sprake is van zorg in
ontwikkeling of opvoedingsomgeving van de jongere op een professionele wijze worden aangemeld bij jeugdzorg. De korpsen registreren het aantal doorverwijzingen en relateren deze aan het totaal aantal minderjarige verdachten en aan het totaal aantal
minderjarigen in de regio om de implementatie van het werkproces te volgen. De ministers zullen alles in het werk stellen dat jeugdzorg en eventueel andere betrokken ketenpartners de doorverwijzing adequaat oppakken.
1.12 Het korps werkt volgens de principes van gebiedsgebonden politiewerk, zoals geformuleerd in het referentiekader GGPZ, en levert (op verzoek van gemeenten) politiedata aan gemeenten als input voor de gemeentelijke wijkscan in het kader van het
integraal veiligheidsbeleid, in ieder geval voor de wijken
waarvoor dat nodig is.
d. De korpsbeheerder verplicht zich alle nodige maatregelen te treffen die leiden tot het realiseren van de volgende afspraken ten aanzien van het beheer van de politieorganisatie:
1.13 Het korps besteedt continue aandacht aan innovatie ten gunste van een verhoogde doelmatigheid.
1.14 Het korps brengt het totaal aantal ATW-overtredingen terug met in beginsel 40% ten opzichte van de basiswaarde (stand eind 2006). Deze basiswaarde wordt vastgesteld aan de hand van de ATW-monitor die
de minister van BZK houdt aan het eind van 2006, begin 2007.
1.15 Het korps neemt van iedere medewerker die is toegerust met geweldsmiddelen, maar niet voldoet aan de normen zoals gesteld in de RTGP, de geweldsmiddelen in (inname 100%).
1.16 De korpsbeheerder van het korps sluit de onderwijsovereenkomst met het college van bestuur van de Politieacademie, bedoeld in artikel 13, negende lid, van de Wet op het LSOP af in 2007, met inachtneming van het advies van de Politieondenvijsraad
'normenset werkend leren".
2. Inspanningen van de zijde van de ministers
De ministers verplichten zich om alle nodige maatregelen te treffen die leiden tot het realiseren van de volgende afspraken:
2.1 Voor de uitvoering van de maatregelen worden de extra budgetten die beschikbaar zijn gesteld op grond van het Landelijk Kader 2003-2006 voor sterktegroei tot en met 2010 en kwaliteitsverbetering gecontinueerd. Extra middelen in aanvulling daarop zijn
bij junicirculaire 2006 (circulaire van 29 juni
2006, kenmerk 2006-1 14888) toegekend.
2.2 De ministers zullen andere veiligheidspartners wijzen op hun verantwoordelijkheden voor een integrale aanpak van onveiligheid. Gemeenten zal worden gevraagd om -al dan niet gesteund door een wettelijke voorziening- te komen tot het opstellen van
integraal veiligheidsbeleid.
2.3 De ministers spannen zich in om verschillende partners te betrekken bij de experimenten die zich richten op ketensamenwerking. Deze experimenten hebben tot doel om inzicht te krijgen in de succesfactoren die ten grondslag liggen aan ketensamenwerking.
Tegelijkertijd worden deze experimenten benut om na te gaan of en hoe landelijke afspraken met politie en ketenpartners mogelijk zijn.
2.4 De minister van BZK stelt voor het jaar 2007 een budget van € 52 mln. beschikbaar voor prestatiebekostiging en experimenten. 70% van dit budget is bedoeld voor prestatiebekostiging en 30% voor experimenten. Voor prestatiebekostiging wordt € 26 mln.
vooraf beschikbaar gesteld in 2007 en € 10,4 mln. op nader in te vullen wijze. Voor de experimenten is een bedrag van € 15,6 mln. beschikbaar waarvan € 12,48 mln. in 2007 als voorschot betaalbaar wordt gesteld. Een bedrag van € 3,12 mln. is op
nacalculatie
beschikbaar voor experimenten. De vormgeving van de experimenten en de bestedingsvoorvaarden zijn uitgewerkt in de brief van 15 augustus 2006, kenmerk 2006-266257.
2.5 De ministers hanteren ten behoeve van de kwaliteit en de betrouwbaarheid van de informatie(huishouding) tussen de afzonderlijke korpsen (inclusief de politieacademie) en de ministers het Informatiestatuut Politie 2005.
2.6 De ministers spannen zich in om de werkprocessen in de keten te stroomlijnen daar waar deze onevenredig hoge administratieve lasten met zich meebrengen.
2.7 Op het terrein van discriminatiebestrijding stimuleren de ministers de lokale overheid, het OM en andere relevante partners tot ketensamenwerking.
2.8 De ministers dragen zorg voor de ontwikkeling van een ketenbreed landelijk beleid, gericht op de versterking van de preventieve en repressieve bestrijding van financieel-economische criminaliteit en cybercrime. De afspraken met de politie vormen
onderdeel van dit landelijk beleid. In dit verband
streven de ministers naar het maken van afspraken met andere relevante bestuurlijke en maatschappelijke organisaties die een rol kunnen spelen in het tegenhouden van deze criminaliteit.
2.9 De ministers ontwikkelen in nauwe samenwerking met de korpsen de uitgangspunten voor een 'intelligente' systematiek van prestatiesturing voor de periode na 2007. Hiervan kan benchmarking onderdeel uitmaken.
2.10 De ministers zullen alles in het werk stellen dat de andere ketenpartners de doorverwijzing van risicojongeren systematisch oppakken.
2.11 De ministers stimuleren de relevante partners tot een adequate aanpak van overlastplegers. Hiertoe zullen zij andere veiligheidspartners wijzen op hun verantwoordelijkheden voor een integrale aanpak van onveiligheid. Gemeenten zal worden gevraagd om
te komen tot het opstellen van integraal veiligheidsbeleid.
2.12 Door de ministers zal gezamenlijk met de korpsen een benchmarkinstrument worden ontwikkeld aan de hand waarvan de prestaties van de korpsen op de benchmarkafspraken in kaart kunnen worden gebracht.
Dit instrument dient vóór 1 april 2007 gereed te zijn en bekend te worden gemaakt. De bestaande benchmarks voor diversiteit en integriteit gelden hierbij als voorbeeld.
2.13 De ministers ontwikkelen, gezamenlijk met de korpsen, een gerichte methodiek die voor alle korpsen bruikbaar is voor het meten van klanttevredenheid, waaronder slachtofferschap. In het kader van de experimenten worden bezien of dit
klanttevredenheidsonderzoek kan leiden tot een nieuwe indicator in de periode na 2007.
Regiospecifiek deel (B)
1. Verplichtingen van de zijde van de korpsbeheerder
a. De korpsbeheerder verplicht zich alle nodige maatregelen te treffen die leiden tot het realiseren van de volgende resultaten:
1.1 Het korps draagt, zoals afgesproken in de Raad van Hoofdcommissarissen, er zorg voor dat het aantal aan het Openbaar Ministerie (OM) ter afdoening aangeboden zaken 'met een bekende dader', waarbij opgeteld de via het Centraal Justitieel Incasso Bureau
afgedane transacties ten aanzien van artikel 8 WVW en eenvoudige winkeldiefstal, ten opzichte van het aantal in 2002 toeneemt met ten minste 1.000. Nederland is in de afgelopen jaren veiliger geworden. Het aantal aangiften is afgenomen, het
opsporingspercentage is toegenomen, de veelplegeraanpak werkt en de veiligheidsmonitor van het rijk heeft aangetoond dat Nederlandse burgers zich veiliger voelen. Het is daarmee denkbaar dat de streefwaarde van 40.000 extra verdachten OM niet wordt
gehaald.
Bij de toekenning van de prestatiebekostiging voor dit onderdeel van de resultaatafspraken van dit regionaal convenant heeft het korps de mogelijkheid om, indien de vastgestelde streefwaarde niet is bereikt, aan te tonen dat zij al het mogelijke heeft
gedaan om de streefwaarden wél te realiseren. Dit zal worden getoetst door de ministers. Door de korpsleiding dient aangetoond te worden dat feitelijk op de realisatie van de afspraak is gestuurd. Hierbij wordt verondersteld: het bestaan van regionale
afspraken over de inspanning op de extra verdachten OM, betrokkenheid van de hoofdofficier van Justitie bij de totstandkoming van deze afspraken en het volgen en sturen op resultaten waarbij het OM betrokken is.
Indien het korps naar het oordeel van de ministers al het mogelijke heeft gedaan om de streefwaarden wel te realiseren, zal de minister van BZK in overleg met de korpsbeheerder de prestatiebekostiging voor dit onderdeel volledig toekennen.
1.2 Het korps realiseert op de schaalscore 'beschikbaarheid' in 2007 ten minste de waarde van 4,9. De schaalscore over 2007 wordt vastgesteld via de meting met de Veiligheidsmonitor Rijk van 2008.
1.3 Ter uitvoering van het operationeel vreemdelingentoezicht zal het korps in 2007 719 staandehoudingen op grond van artikel 50, lid l, van de Vreemdelingenwet 2000) realiseren (eerstelijnstoezicht) en, mede in het verlengde hiervan, 184 (criminele)
illegale volwassen vreemdelingen in bewaring stellen in 2007 (tweedelijnstoezicht).
1.4 Het korps realiseert op de indicator "tevredenheid over politieoptreden bij het laatste contact (percentage (zeer) tevreden)" in 2007 een waarde van 56,l. Dit percentage over 2007 wordt vastgesteld via de meting met de
Veiligheidsmonitor Rijk van 2008.
b. De korpsbeheerder verplicht zich alle nodige maatregelen te treffen die leiden tot het realiseren van de volgende benchmark afspraken:
1.5 Het korps draagt zorg voor het bestrijden van overlast. Het korps draagt zorg ten minste voor een stijging van het aantal boetes en transacties uit staandehoudingen voor overlast in 2007 ten opzichte van de nulwaarde van
3.785. De nul- en eindwaarden worden gemeten via de categorie 'Overig APV' uit het systeem van het Centraal Justitieel Incasso Bureau (WAHV+TRIAS). Voor een regionale aanpak van overlast draagt het korps informatie aan die het mogelijk maakt een lijst op
te stellen van notoire overlastplegers en tevens inzichtelijk maakt welke overlastgevende groepen er zijn in de regio. Het korps deelt deze informatie met de ketenpartners en geeft daarbij in elk geval aan wat de partners met de betreffende informatie
kunnen doen. Uiteraard zijn de gemeenten verantwoordelijk voor het opstellen van de lijsten en de aanpak van overlastgevende jongeren en hinderlijke jongeren. De politie en het OM zijn gezamenlijk verantwoordelijk voor de lijsten en aanpak van
criminele
jongeren. De ministers stimuleren de relevante ketenpartners tot een adequate aanpak van overlastplegers.
Hiertoe zullen zij andere veiligheidspartners wijzen op hun verantwoordelijkheid voor een integrale aanpak van onveiligheid. Gemeenten zullen worden gevraagd om - al dan niet gesteund door een wettelijke voorziening - te komen tot het opstellen van
integraal veiligheidsbeleid. De knelpunten als gevolg van privacywetgeving die hierbij kunnen ontstaan en resteren na invoering van de Wet op Politiegegevens, worden in 2007 geïnventariseerd.
c. De korpsbeheerder verplicht zich alle nodige maatregelen te treffen die leiden tot het realiseren van het (de) volgende experiment(en)
1.6 De door het korps ingezonden plannen van aanpak:
- 'Interventie 12-minners (project 'namen en rugnummers, risicokinderen')',
- 'Jongeren Informatie Systeem (JIS)' en
- 'Vroegsignalering risicofactoren op gezinsniveau'.
Slotbepalingen en citeertitel
- Dit regionale convenant wordt aangegaan voor de periode van 1 januari 2007 tot 1 januari 2008. Bij het aantreden van een nieuw kabinet, maar vóór 1 mei 2007 vindt besluitvorming plaats over verlenging dan wel vernieuwing van [het Landelijk Kader Nederlandse Politie 2007 dan wel] dit regionale convenant.
- Dit regionale convenant kan worden gewijzigd indien partijen hiermee instemmen. Iedere partij kan daartoe te allen tijde voorstellen doen.
- Dit convenant wordt aangehaald als: 'Regionaal Convenant 2007 politiekorps Gelderland-Zuid'.
De minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties,
de heer J.W. Remkes
De minister van Justitie,
de heer dr. E.M.H. Hirsch Ballin
De korpsbeheerder van het regionale politiekorps Gelderland-Zuid,
de heer mr. Th.C. de Graaf
0900-8844
Fax
024 - 327 66 66
Postadres
Postbus 9109
6500 HL Nijmegen
e-mailformulier

RSS
Lees voor


