Politie.nl Hoofdmenu

Herdenkingsceremonie

Ieder jaar organiseert de Nederlandse politie een speciale herdenkingsceremonie voor nabestaanden en collega's in de Tuin van Bezinning. De herdenking wordt ieder jaar gehouden op de 2e donderdag in juni.

Van de herdenking is een fotoreportage gemaakt. Alle foto’s zijn te zien op de website http://fotoimpressie.gafrivideo.nl


De speeches van de herdenkingsceremonie 2011

Toespraak door minister Opstelten ter gelegenheid van de jaarlijkse herdenking Stichting Tuin van Bezinning. Warnsveld, Huis ’t Velde, 9 juni 2011.

Dames en heren - familieleden, vrienden en collega’s van hen die wij hier vandaag herdenken,

Goed u allen hier vandaag te zien op deze plaats van bezinning en reflectie, het nationaal monument Tuin van Bezinning. 

Een aangrijpend monument. Het bevat de namen van alle politiemensen die sinds 1 januari 1946 omkwamen tijdens de uitoefening van hun dienst. 157 namen zijn er nu in gegraveerd. De laatste nog zeer recent. Nog geen twee maanden geleden – het staat ons allen nog helder voor de geest – werd hoofdagent Dick Haveman in het Groningse Baflo doodgeschoten. Met zijn eigen dienstwapen, dat hij had verloren in een worsteling met een zeer agressieve verdachte. Dit verschrikkelijke incident, dat in het hele land een schok teweegbracht, benadrukte nog eens hoe zwaar en gevaarlijk het beroep van politieagent kan zijn. 

Ik herinner mij nog heel goed de uitvaart van Dick Haveman, in de Groningse Martinikerk en het indrukwekkende eerbetoon dat deze politieman in hart en nieren daar ten deel viel. Ik was ook zeer onder de indruk van de kracht die de familie en collega’s van Dick in die moeilijke dagen hebben getoond. Maar ik besefte tevens dat de herinnering aan die fatale avond in april nog lang als een loodzware last op hun levens zou blijven drukken. Velen van u die vandaag naar deze herdenkingsbijeenkomst zijn gekomen, hebben een vergelijkbaar proces doorgemaakt – maken dat nog steeds door. Een plechtigheid als deze kan een belangrijke rol spelen bij de verwerking van uw verdriet.  

Respect, diep respect, is op z’n plaats voor al die tienduizenden mannen en vrouwen bij de politie, die ondanks de risico’s die zij lopen, zich toch elke dag met hart en ziel inzetten voor ons aller veiligheid. Daar kunnen we niet vaak en niet lang genoeg bij stilstaan. Het is goed en zinvol om al die agenten die bij het vervullen van hun zware, risicovolle taken om het leven kwamen onze eer te blijven betuigen!

Daarnaast moeten, noch mogen we uiteraard berusten in andere vormen van agressie en geweld waarmee onze dienders vrijwel dagelijks te maken krijgen: zoals uitschelden, spugen, bijten, schoppen, initimideren - tot en met bedreiging met een wapen aan toe. In veel gevallen lopen ze daarbij lichamelijk letsel op. Vaak schaafwonden, kneuzingen, verrekkingen of blauwe plekken, maar ook ernstige verwondingen, zoals een hersenschudding, botbreuk, snij- of steekwonden. ‘Ach’, hoorde je vroeger nog wel eens, ‘dat zijn nu eenmaal de risico’s van het vak.’ Ik vind dit echter absoluut niet kunnen. Dit is niet te tolereren. We moeten dit geweld dan ook een halt toeroepen!

Sinds enkele jaren loopt het programma Veilige Publieke Taak, dat agressie en geweld tegen werknemers met een publieke taak moet tegengaan. Dat programma heeft – zoals u waarschijnlijk weet – een bredere scope dan alleen de politie. Ook brandweerlieden, ambulancepersoneel, buschauffeurs, treinconducteurs of medewerkers van de Sociale Dienst worden regelmatig met agressie en geweld geconfronteerd. Slaat u er, vooral na het weekend, de kranten maar op na. Ook dat liegt er vaak niet om. Ook daar moet een eind aan komen. Elk geweldsincident tegen iemand die “gewoon” zijn beroep uitoefent – nota bene een dienend beroep, dat van cruciaal belang is voor het goed functioneren van de samenleving – is er één te veel!

In het kader van Veilige Publieke Taak is de afgelopen jaren al veel in gang gezet. Gelet op het bijzondere karakter van deze bijeenkomst, zal ik mij hier beperken tot de politie. 

Een krachtig signaal gaat uit van het Landelijk Protocol Geweld Tegen Politieambtenaren, dat alle regiokorpsen begin vorig jaar hebben ondertekend. Uit dat protocol komt duidelijk naar voren dat we agressie en geweld tegen politiefunctionarissen – fysiek, maar ook verbaal – nooit mogen tolereren. Politiemensen moeten alle ruimte krijgen om hun werk te doen, om te doen wat in die specifieke, vaak lastige, situatie nodig is. Voor betrokkenen of omstanders betekent dit dat ze de aanwijzingen van de agent moeten opvolgen en zeker niet de gang van zaken moeten verstoren.

Het protocol geeft heldere richtlijnen over hoe je als politiemedewerker met agressie of geweld moet omgaan. Dat begint met een duidelijke grens te trekken: aangeven dat je dit gedrag niet accepteert! Afhankelijk van de situatie en de ernst van het incident, schrijft de agent dan bijvoorbeeld een proces-verbaal uit, houdt de dader aan, weigert mensen toegang of stopt de dienstverlening. Hoe dan ook: als politieman of -vrouw treed je in geval van agressie of geweld altijd op.

Van belang is verder dat je als politiemedewerker van elk incident melding maakt bij je leidinggevende. En dat je elk incident registreert. Dat is van belang, om goed zicht te krijgen op het probleem: wat, wannneer, waar, hoe vaak, onder welke omstandigheden? Enzovoort. Dat overzicht hebben we nodig om de juiste maatregelen te kunnen nemen.

Is er aangifte gedaan, dan moet het dossier zo snel mogelijk en “geoormerkt” worden doorgestuurd naar het Openbaar Ministerie. Het OM handelt die zaak dan met voorrang af en eist een extra hoge straf: sinds 31 december 2010 is de strafmaat voor geweld tegen werknemers met een publieke taak verdrievoudigd. Dat geeft wel aan hoe zwaar we dit soort delicten opnemen: van onze mensen blijf je af! 

Met die zware straf is de dader nog niet van ons af: hij zal ook moeten opdraaien voor de schade, zowel de materiële als de emotionele. De getroffen collega krijgt daarbij alle steun van het korps. Je hoeft er niet alléén achteraan; specialisten nemen je daarbij veel werk uit handen.

Het is goed dat dit geweldsprotocol er nu is. Nu is het zaak om het bij iedereen goed tussen de oren te krijgen. Niet alleen bij alle 49.500 “frontsoldaten”, de dienders op straat, maar ook bij de medewerkers met ondersteunende taken. Ook een baliemedewerker, een telefonist of iemand van de administratie kan met agressie of geweld te maken krijgen. Daarom loopt er nu een groot communicatietraject. Als politiemedewerker moet je goed weten wat je in een geweldssituatie moet doen. En dat de politieorganisatie achter je staat! 

Goed is ook dat de politie, in een speciaal programma, werkt aan de eigen professionele weerbaarheid. Zowel fysiek, als mentaal en moreel. Hoe is je houding op straat? Hoe ga je om met agressief en gewelddadig gedrag? Hoe kun je in dit soort situaties de-escalerend te werk gaan? Ook dat moet ertoe bijdragen dat agressie en geweld tegen de politie afnemen. 

En laten we vooral niet vergeten: veel agenten die wij hier vandaag herdenken kwamen om als gevolg van een verkeersongeluk tijdens de dienst. Het is belangrijk dat we ook daar heel alert op zijn. En dat we - waar nodig en mogelijk – ook op dat terrein gepaste maatregelen nemen, zoals extra trainingen rijvaardigheid. 

Dames en heren, het vak van politieman of –vrouw is prachtig. Een vak om trots op te zijn! Maar ook een vak dat zwaar is en niet zelden gevaarlijk. Alle dienders zijn er goed van doordrongen dat de uitoefening van hun vak onvermijdelijk ook risico’s met zich meebrengt – soms zelfs heel grote risico’s. De namen hier op dit momument, van al die politiemensen die omkwamen bij de uitoefening van hun beroep, zijn daarvan evenzoveel stille getuigen. Mogen zij voor altijd in onze herinnering blijven!

Gerard van Os, student aan de School voor Handhaving
Jaren geleden was ik als puber met vrienden op fietsvakantie naar de kust van Noord Frankrijk.

Hierbij passeerden wij regelmatig kerkhoven. Kerkhoven uit de eerste wereldoorlog. Kerkhoven van mensen uit heel de wereld. Bij elke passage werden wij stiller en stiller. Mochten wij in onze bravoure iets gezegd hebben, dan klonk er respect in door. Respect voor hen die hun leven hadden gegeven voor de ander. Wanneer ik nu met mijn kinderen langs zo'n kerkhof kom, merk ik aan hen dat zij ook stiller worden. En met respect kijken en praten over hen dit dit voor anderen hebben gedaan. 
 

Politiemensen verschillen niet veel van hen.Je doet dit prachtige vak om anderen te helpen. Om het zo veilig mogelijk te maken in onze samenleving.Elke dag weer, om na je dienst thuis te komen. Ja, het is weleens spannend. En je slaakt een zucht van verlichting als het goed gegaan is. Bij zo'n spannende gebeurtenis lach je met elkaar erover.Je leert ervan, krijgt nieuwe inzichten om het anders te doen. Stoppen? Nee, geen denken aan. Men moet zich veilig voelen. Wie zou dat willen en kunnen verzorgen? Wij proberen dat iedere dag.  

Nu sta ik hier. Als afgevaardigde van de politieacademie, maar vooral omdat Dick Haveman collega was van mijn korps.Ook Dick hield van dit vak. Ook hij wilde dat het veilig was voor iedereen. Daar ging hij voor.Zo ook tijdens zijn laatste dienst. Helaas hield het geluk toen op. Bij de herdenking van Dick werden er vele woorden gesproken. Mooie woorden, sterke woorden, maar vooral warme woorden. Ik heb geen woorden. Alleen maar stilte en respect voor de collega’s die hun leven hebben gegeven tijdens hun dienst. 
In de stilte hoor je hen spreken. Spreken met mooie woorden, sterke woorden, maar vooral warme woorden.

 

Voorzitter van de Raad van Korpschefs Leon Kuijs

Minister, dames en heren, collega’s, familie Haveman,

We staan hier om eer te bewijzen aan de collega’s die ons tijdens de uitoefening van ons vak zijn ontvallen. Vandaag herdenken wij in het bijzonder onze collega hoofdagent Dick Haveman. Dick Haveman kwam op 13 april dit jaar tijdens de dienst om het leven. Bij de uitvaart spraken onze minister en zijn korpschef Oscar Dros over Haveman en zijn werk: een door en door ervaren politieman, gedreven, moedig en plichtsgetrouw. Dick krijgt vandaag een plaats hier, in de Tuin van Bezinning. Deze Tuin is voor ons een plaats voor herinnering aan collega’s, en een plaats om na te denken over ons vak en na te gaan wat werkelijk belangrijk voor ons is:betrokken zijn bij de samenleving, werken aan veiligheid, een goede politieman of -vrouw zijn.

Het overlijden van onze Groningse collega Haveman en de andere collega’s die in de afgelopen jaren zijn gestorven bij de uitoefening van ons vak, leidt onherroepelijk naar de vraag wat het betekent om politieman of -vrouw te zijn. Enerzijds willen wij vol passie de publieke zaak dienen. Waakzaam en dienstbaar zijn aan de waarden van de rechtsstaat. Werken aan veiligheid in stad en dorp, bescherming bieden, onrecht bestrijden, bijdragen aan een goed functionerende rechtsstaat. De benaming 'diender' steeds weer eer aandoen. Anderzijds trekt dit vak een zware wissel op onze veerkracht. Naast het versterken van het vakmanschap wordt het voortdurend onderhoud van deze veerkracht een steeds belangrijker element van onze professionaliteit.

Geweld en agressie tegen politieambtenaren - op straat, aan de balie en zelfs telefonisch - nemen toe, de werkdruk is hoog, het gezag van politiemensen wordt doorlopend bevochten. Het zijn belangrijke factoren die van onze mensen het uiterste vergen van hun weerbaarheid. 
Niet alleen het risico geconfronteerd te worden met geweld, schrijnend slachtofferschap of andere stevige incidenten is groot. Ook fors is het risico op het breken van het ‘mentale schild’ - je geestelijke weerstand - als je vaak werkt onder een flinke mentale belasting.  Dat de mentale weerbaarheid door het zware beroep onder druk staat, komt tot uiting in spanning, stress, ongeduld, snellere irritatie, vermijdingsgedrag en uitval. Het zijn de signalen die klinken uit de schaduwzijde van ons vak. In mijn ogen is daarmee politiewerk de laatste jaren verschoven van een ‘stevig ambt’, naar een ‘hoog risicoberoep’. 

Mooi is te zien hoe onze mensen elkaar in de praktijk vasthouden en ondersteunen. Niet alleen van leidinggevende naar teamlid, ook de collega’s onderling.

Een ieder van ons kent de collega’s van het Bedrijfsopvangteam, zij staan op de stoep zodra een collega is geconfronteerd met een stevig incident. Zij bieden een luisterend oor en - indien nodig - adviseren de collega’s over te nemen vervolgstappen.  De inzet van deze collega’s is voor mij meer dan een mooi voorbeeld van wat men ook ‘nuldelijnszorg’ pleegt te noemen - zorg in de directe omgeving, de eerste opvang van naasten.
Ik zelf zie deze collegiale inzet ook als een ritueel binnen de politieorganisatie - waarbij de betekenis zit in de betrokkenheid naar elkaar, naar die collega’s die voor dezelfde taak staan.

Ik geloof in dit soort rituelen - zij versterken de trots op het vak, de trots op onze professionaliteit.
Als je trots bent op je vak, je kennis en vaardigheden op niveau zijn, als je goed in je vel zit, - je ‘mentale schild’ stevig is - oefen je je vak niet alleen met meer plezier uit, maar ook met meer vertrouwen en weet je zeker dat wat je doet ook goed is. Om dit kracht bij te zetten werken we dan ook aan het terugbrengen van een balans in de uitvoering van het politiewerk, een operationele balans:

 

  • Een balans in de politietaak uitvoeren en een gepaste verantwoording hiervan;
  • Een balans tussen getraindheid en de dagelijkse taakuitvoering;
  • Een balans tussen inzet van menskracht en de verwachte problematiek.

 

Met een juiste operationele balans wordt de ‘professionele ruimte’ vormgegeven. Het staat voor de invulling van goed politiewerk. Soms is dat de boel sussen, soms is het stevig ingrijpen. Die dingen doen die het beste bijdragen aan veiligheid. Zelfs als dit leidt tot de hoogste prijs, zoals Dick Haveman en vele die hem voorgingen, hebben ervaren.
Onze mensen worden geselecteerd, opgeleid, en in de praktijk geïnstrueerd om elke dag weer de samenleving te dienen. Tegelijkertijd vraagt deze bijzondere tijd waarin we leven extra aandacht voor de wijze waarop wij onze mensen voorbereiden op deze taak.

Tot slot.

Deze bijzondere aandacht voor onze politiemensen voorkomt niet dat collega’s ons in de dienst ontvallen.

Het maakt wel dat we meer bewust omgaan met het gegeven dat het politiewerk een ‘hoog risicoberoep’ is geworden. Dat betekent dat we ons hier op inrichten, onze mensen hier nog beter op voorbereiden.
De minister wil met de korpschefs en de kwartiermakers van de nationale politie het fundament leggen voor een korps waarin elke politieman en vrouw goed toegerust en ondersteund het werk kan verrichten. Dit vergroot niet alleen de inzetbaarheid van politiemensen, maar draagt ook bij aan het vakmanschap, het welzijn en het gezag van de politie.

Dank u



Ingo Molenaar, geestelijk verzorger bij de politie Zaanstreek Waterland

‘Het gezag dat rust behoedt in stad en staat, waakt rust’loos tegen de onrust van het kwaad’.

Deze spreuk siert het hoofdbureau van het korps Amsterdam – Amstelland. Het korps waar ik ruim 40 jaar geleden mijn eerste schreden zette als beginnend politieman.

Ik kon toen niet bevroeden waarlangs en waarheen deze weg mij uiteindelijk zou leiden en welke indrukken en ervaringen ik onderweg zou opdoen.

Voortgaand op deze weg diende dat kwaad zich in de meest uiteenlopende vormen en gedaanten aan; lastig te bestrijden soms, maar in de meeste gevallen wel beheersbaar, vond ik.

Op 29 april 1974 kreeg dat kwaad voor mij een afschrikwekkend gezicht in de gewelddadige dood van een collega van het bureau waar ik destijds als jonge agent werkte. Simon Landman: zijn naam, onuitwisbaar in mijn herinnering gegrift, staat ook in deze Tuin gegraveerd, te midden van zoveel namen. En op 13 april van dit jaar toonde het kwaad zich weer in al zijn afschrikwekkendheid in de dood van Dick Haveman. Ook hij kon na de afloop van zijn dienst niet meer gewoon naar huis. En bij hem thuis, en bij zijn collega’s, is een leegte ontstaan die niet gevuld kan worden.
Ons diepste medeleven gaat uit naar zijn echtgenote, dierbaren, vrienden en collega’s.

Tevens gaan mijn gedachten uit naar de schoonvader van Dick, Jasper Satter, die op 27 mei jl. overleden is. Hij had vandaag in ons midden willen zijn. Wij voelen ons in de geest met hem verbonden. Achter iedere naam in deze Tuin schuilt een zoon of dochter, een vader, een geliefde en een gebeurtenis die zijn sporen heeft gelaten en steeds weer opnieuw herinneringen oproept.
Vandaag zijn we hier in deze Tuin, de plek waar we onze collega’s gedenken die tijdens het uitoefenen van hun dienst om het leven zijn gekomen. De plek waar familie, vrienden en collega’s kunnen komen en kunnen zien dat de naam van – en dus de herinnering aan – de overledene voor altijd is vastgelegd.  Een plek ook waar je steun mag ervaren waaruit troost kan worden geput, omdat je weet dat je dierbare niet vergeten wordt. Want iemand die niet vergeten wordt, blijft voortleven. Voor iedereen die wij hier in deze Tuin gedenken, gelden andere omstandigheden waarin zij het leven lieten. Bij iedere naam hoort dat eigen verhaal.  Die onfortuinlijke samenloop van omstandigheden, een fataal ongeluk in het verkeer, een schietpartij. Maar hoe verschillend die omstandigheden ook waren: uit alle verhalen moeten we steeds weer lessen proberen te trekken. Dat zijn we verplicht aan onze collega’s. Immers, ieder van ons heeft ervoor gekozen een structurele bijdrage te leveren aan een rechtvaardige en veilige samenleving.

En gelukkig kunnen we nog steeds vertrouwen op het overgrote deel van de Nederlandse samenleving van goede wil. Maar de harde werkelijkheid laat zien dat zonder gezag en soms krachtdadig optreden, het leven behoorlijk bedreigend en onveilig kan zijn. De actualiteit leert ons immers, helaas iedere keer weer, dat agressie en geweld een breed maatschappelijk verschijnsel is waar ook andere hulpverleners mee te maken hebben. En wij  politiemensen, proberen, desondanks, alles steeds weer in goede banen te leiden.

Wij zijn ons ervan bewust dat ons werk meer risico met zich meedraagt dan de meeste andere beroepen en dat wij gevaar lopen. Wij realiseren ons dat terdege, maar wij blijven ons werk wel doen. Trouw aan onze idealen. Daarom worden ongenuanceerde uitspraken als: ‘dat is het risico van het vak’, ‘als politiemens moet je toch tegen een stootje kunnen’ als onaangenaam en ongepast ervaren.
Alsof onwelvoeglijke bejegening en buiten proportioneel geweld per definitie bij politiewerk zouden moeten horen. O zeker, wij kunnen tegen een stootje, meerdere stootjes zelfs; wij zijn professionals, maar wij zijn niet grenzeloos. Gelukkig wordt inmiddels in brede zin afstand genomen van dergelijke onzinnige opvattingen. Daarom ben ik des temeer verheugd dat er concrete stappen worden gezet om onze professionaliteit te vergroten. Niet alleen door te investeren in de ontwikkeling van de fysieke weerbaarheid, hoe noodzakelijk ook, maar ook door meer te investeren in de ontwikkeling van morele, mentale en relationele weerbaarheid. Dat wordt als een grote steun in de rug ervaren. Daarbij  is het goed vast te stellen dat  het aloude, algemene beginsel van burgerlijk fatsoen zo langzamerhand weer leidend begint te worden, zeker als het gaat om de bejegening van al die werkers in het publieke domein.

Ik ben deze toespraak begonnen met een persoonlijke herinnering. Daarmee heb ik ook duidelijk willen maken dat er altijd collega’s betrokken zijn, of als getuigen, of als deelgenoot, of als directe collega's die hebben samengewerkt. Ook nu zijn er ongetwijfeld politiemensen hier aanwezig die klem hebben gezeten in situaties die ook verkeerd hadden kunnen aflopen. Waar het allemaal nog net goed ging. Daarom zou ik in het bijzonder tot mijn broers en zussen in dit prachtige ambt willen zeggen: goede dienst; pas goed op uzelf en houd elkaar in het hart en in het oog.

Aan u allen als nabestaanden: ik wens u alle goeds toe en heel veel sterkte. Moge de wetenschap dat degenen die wij hier vandaag eren en gedenken niet vergeten zullen worden, u tot troost zijn.

 

De speeches van de herdenkingsceremonie 2010

De heer Hirsch Ballin
de Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties
Hier, in dit nationaal monument van de politie, herinneren we ons onze collega’s, onze dierbaren.
We zijn hier om stil te staan bij de offers van het vak. En we zijn hier om kenbaar te maken dat we die offers niet vergeten zijn.

Herinneren is een vorm van ontmoeten.
De Tuin der Bezinning is een ontmoetingsplek. Een plek waar we terug kunnen denken aan de mensen die we zo goed hebben gekend, en die zijn gestorven in de uitoefening van hun vak.
Het is goed dat er zo’n plek is.

U weet hoe het is vlak na het overlijden van een dierbare. Je hebt het gevoel dat hij of zij er nog is.
Je denkt iemand in een flits te herkennen op straat, je hoort zijn stem, en ook geur of muziek kunnen je gedachten op ieder willekeurig moment doen teruggaan naar de overledene.
Het kan verdriet oproepen of troost bieden.

De dichter Vasalis heeft mooi onder woorden gebracht wat een plotselinge flard muziek teweeg kan brengen, en ik lees een paar regels voor. 
Een warm en onverwacht verdriet,
eerbied voor de gewoonste dingen,
neiging om hardop mee te zingen,
en dan te huilen om dit lied
ontstond in mijn verwend gemoed.
Ik voelde me bedroefd en goed.

Ze drukt hiermee - in mijn ogen - een universeel gevoel uit dat iedereen onbewust en onverwacht wel eens heeft ervaren. Dat is volstrekt persoonlijk en valt niet te sturen.

Des te belangrijker is het dat er een plek is waar herinneringen een vaste plek kunnen krijgen. Een plek waar mensen gesteund worden in het besef dat ze niet alleen zijn in hun verdriet. Een plek die ook tot bezinning en reflectie kan leiden.

Zes jaar geleden werd de Tuin der Bezinning geopend. De voortvarendheid waarmee het initiatief werd omarmd en uitgevoerd, gaf aan dat er grote behoefte bestond aan een nationaal monument voor de politie.
Het monument brengt goed tot uitdrukking dat er een grote onderlinge verbondenheid is binnen de politie.
Mr. E. Hirsch Ballin
De moeder van een overleden agent zei destijds bij de oprichting: “Het is mooi dat er iets tastbaars is waarmee je laat zien: het zijn onze mensen; wij vergeten ze niet”.

De afgelopen vijf jaar heeft laten zien dat de behoefte aan een vaste herdenkingsplek groot is. Ook buiten de herdenkingsbijeenkomsten komen er wekelijks mensen of groepen medewerkers van korpsen om eer de bewijzen en stil te staan bij de risico’s van het vak.

Ik las in het politieblad Blauw een impressie van één van hen. Hij schrijft over het bezoek: “Deze tuin doet me beseffen hoe kwetsbaar we zijn en ik heb mijn besluit genomen; het zal niet míjn naam zijn die wordt gedragen door het volgende lot. Maar teruglopend naar de auto draai ik me nog één keer om naar de tuin met namen en vraag me af: “Zouden zij dat ook niet hebben gezegd?”

U allen weet dat het politievak niet zonder risico’s is. De politie zet zich in voor onze veiligheid. Zij staat vaak in de frontlinie, is het eerst ter plaatse en loopt zelf risico’s om óns ervoor te behoeden.
Natuurlijk weten we dat, maar het fatale bericht komt altijd onverwacht. De prijs die de directe nabestaanden moeten betalen is altijd te hoog. Dat mogen we niet vergeten.

Bij iedere naam die wordt bijgeschreven in de Tuin der bezinning moeten we ons afvragen: was dit te voorkomen? Iedere naam staat voor een ander verhaal. Een verkeersongeval, een verdrinking, een schietincident. De omstandigheden verschillen keer op keer, en ieder incident moeten we oppakken in het streven naar een veilige politietaak. Of dit nu te maken heeft met zichtbaarheid in het verkeer; een veilig uniform, de omgang met wapens, of het verhogen van de weerbaarheid tegen agressie en geweld.

De actualiteit leert ons helaas dat de agressie en geweld een breed maatschappelijk verschijnsel is waar ook andere hulpverleners mee te maken hebben. Vorig jaar had het merendeel van de politiefunctionarissen te maken met een vorm van agressie.

We besteden veel aandacht aan een stevige aanpak van de daders, een alerte houding van de leidinggevenden, en trainingen van het personeel. We zien daarin verbetering.
Onderzoek leert ons ook dat nog veel politiefunctionarissen onvoldoende op de hoogte zijn van maatregelen die hun werkgever neemt, zoals trainingen en registratie. Daar liggen dus nog mogelijkheden om het vak veiliger te maken. 
 

Een bezinningsbijeenkomst als vandaag doet je beseffen dat je nooit genoeg kunt investeren in veiligheid.
Niemand wil dat een politiemedewerker onnodig risico’s loopt.
Want de risico’s die onvermijdelijk zijn, zijn al groot genoeg.

Dat bewijzen al deze namen om ons heen.
Zij staan vandaag midden in onze gedachten.
Het zijn onze mensen, we zullen ze niet vergeten.  

De heer Kuijs,
Voorzitter van de Raad van Korpschefs  

Minister, dames en heren, collega’s, familie Postma,

We staan hier om eer te bewijzen aan de collega’s die ons tijdens de uitoefening van ons vak zijn ontvallen. Vandaag herdenken wij in het bijzonder onze collega wachtmeester 1e klas Jan Postma van het korps Rijkspolitie in Groningen. Jan Postma is op 18 oktober 1964 op 48 jarige leeftijd overleden na een ongeluk met een dienstmotor. Jan Postma krijgt vandaag een plaats hier, in de Tuin van Bezinning.

De Tuin is voor ons een plaats voor herinnering aan collega’s, en een plaats voor reflectie op datgeen wat voor ons als politiemensen werkelijk belangrijk is. En wat belangrijk is, is dat wij met onze collega’s vanuit onze professionaliteit werken aan veiligheid. Dat is ook onze missie: Waakzaam en dienstbaar staan wij voor de waarden van de rechtstaat.

Vorig jaar heb ik hier namens de Raad van Korpschefs gesproken over de betekenis van het begrip dienstbaarheid voor de Nederlandse politie. Dienstbaarheid naar de samenleving, maar ook binnen onze eigen organisatie - dienstbaarheid naar elkaar.

Vandaag wil ik aandacht vragen voor onze opdracht tot waakzaamheid, en wat dit vraagt van onze mensen. Onze waakzaamheid als politieprofessionals is nodig om te zorgen dat criminaliteit de samenleving niet ondermijnt. Dit speelt in een nerveuze samenleving waarin we zien dat emoties en meningen snel de toon bepalen, en zorgvuldigheid en respect in verdrukking komen.

Dit vertaalt zich niet zelden in verharding in relaties tussen mensen. Het vertaalt zich ook in de omstandigheid dat mensen zich niet meer veilig voelen  in de openbare ruimte. En die openbare ruimte is bij uitstek de plaats waar wij als politie opereren. Waar wij waakzaam zijn, optreden tegen onderdrukking, ongelijkwaardigheid, ondermijning en geweld.

De burger vraagt ons op te treden tegen de criminaliteit, tegen het verbale en fysieke geweld, tegen spanningen in de wijk. Burgers, maar ook politici en bestuurders, vragen daarbij vaak om snelle en harde actie. Waakzaamheid wordt dan vertaald in alertheid en hard ingrijpen.  
 
De politie onderkent de noodzaak van een stevige interventie - dat is ook een bekend fenomeen in onze dagelijkse praktijk. Vanuit onze ervaring weten we echter ook dat de aanpak van maatschappelijke spanningen, spanningen in wijken, spanningen tussen mensen, niet alleen ligt in de harde, fysieke tussenkomst van politie.

We weten dat ook de relationele, culturele en morele aspecten een belangrijke rol spelen in de aanpak van problemen. Hard als het moet, maar zacht als het kan - is een bekende uitspraak in deze. Waakzaamheid is in dit geval een politie die tijdig aan de bel trekt bij veiligheidspartners nadat zij heeft gedaan wat de burger in het kader van handhaving en opsporing mag verwachten.

Waakzaamheid is het actief participeren in maatschappelijke verbanden. Waakzaam zijn houdt in dat andere partners betrokken zijn en blijven. Cruciaal in het politiewerk is vervolgens het vinden van de balans tussen enerzijds de harde aanpak, en anderzijds het onderhouden van relaties in de wijken.

Het vinden en toepassen van deze balans vraagt veel van onze organisatie. Het vraagt kennis van zaken over het veld waarin wij opereren. Het vraagt om het vermogen de medewerkers optimaal voor te bereiden en te informeren over de situatie ter plaatse.
Van onze collega’s wordt vervolgens gevraagd dat zij - vaak onder hoge druk -  situaties snel beoordelen en ‘het juiste’ doen. Zonder de houvast van regels of instructies, vertrouwend op de aangeleverde informatie – getoetst aan de eigen waarneming.

Wij verwachten van onze collega´s dat zij op deze momenten niet alleen de inhoudelijk-vakmatige juiste keuze maken, maar ook een keuze maken die bijdraagt aan de balans van orde en vrijheid, van orde en eigen veiligheid.  De afweging tot het harde doorpakken of het meer op de relatie de problemen benaderen, moet keer op keer gemaakt worden.
De snelheid en complexiteit waarmee dit proces zich voltrekt en welke druk dat legt op onze mensen, baart mij soms zorgen. We moeten zeker weten dat onze mensen in de frontlinies steeds optimaal zijn voorbereid op hun taak.

Dit vraagt van onze politiemensen dat zij een doorleefd gevoel hebben van de waarden waar de politie voor staat, een gevoel voor de belangen van alle betrokkenen op dat moment. Op basis van dit gevoel kunnen zij legitieme afwegingen maken, naar eer en geweten handelen.

We trainen daarom onze mensen in nieuwe interventie strategieën. We scherpen de geweldsinstructie aan, we reiken een helpende hand als het een keer mis gaat. We zien toe op het behoud van een mentaal schild voor elke politieman, opdat zij weerbaar zijn als onderdeel van hun professionaliteit.

Ook voor politieleiders geldt dat zij ‘het hoofd koel dienen te houden’, we vragen hen ondersteunend en onderzoekend te zijn. Verstandig in netwerken te blijven opereren en het bevoegd gezag te adviseren over de aanpak van de openbare orde en veiligheid, en criminaliteitsbestrijding.

Tot slot

Waarom doen wij dat? Waarom treden wij op tegen onderdrukking, ongelijkwaardigheid, ondermijning en geweld? Waarom voeren wij waakzaamheid als motto?
Niet alleen vanuit de wettelijke plicht, maar vooral vanuit één sterk verbindende factor. Iets wat zij - die wij hier gedenken - en wij hier aanwezig gemeen hebben, een kwaliteit die de politie waakzaam maakt en houdt: de wil onrechtvaardigheid te bestrijden. 
 
Waken tegen onrechtvaardigheid zit ons in het bloed. Daaruit putten we energie, observeren we onze praktijk en houden we - ook onder de aanhoudende druk van de publieke opinie - de balans om het goede te doen. Dat deden vele collega’s voor ons, wij doen het vandaag, en velen zullen ons mooie vak morgen verder dragen. Met steeds dat universele doel voor ogen:  
- bescherming bieden, onrechtvaardigheid bestrijden:
- waakzaam en dienstbaar.

Dank u 
 

Mevrouw De Vos
Student allround politiemedewerker aan de Politieacademie 
 
De Tuin der bezinning. Een plek voor herdenking van collega’s die zijn omgekomen tijdens de uitoefening van hun werk. Maar volgens mij ook een plek om na te denken over het politievak en een plek die naar mijn mening het saamhorigheidsgevoel binnen de politie uitstraalt.

Uit ervaring weet ik dat de impact, die het overlijden van een collega met zich meebrengt, enorm is.
Daarom vind ik het heel bijzonder dat ik vandaag, hier in deze prachtige Tuin der bezinning, mag spreken.

Als student aan de politieacademie leer je dat je tijdens je werk met de dood te maken kan krijgen.
Op school en tijdens de stages is dit dan ook een onderwerp dat regelmatig ter sprake komt. Maar wat het gevoelsmatig met je doet en hoe je hier mee omgaat is vooraf niet te zeggen. Iedereen doet dit op zijn eigen manier en iedereen dient hier ook in gerespecteerd te worden.

Als je met de dood van een onbekende te maken krijgt is dat al moeilijk.
Als het iemand is die je kent dan wordt het even anders.

Op 16 juli 2009 wás dit helaas anders.
Op deze dag overleed Hardy van den Berg aan de gevolgen van een motorongeval.
Voor de collega’s die ter plaatse kwamen bij dit ongeval ging het ineens niet meer om een onbekende, het ging om een collega.

Hardy had echt “hart” voor het politievak op straat.
Dit was voor hem ook de reden om van de niveau 5 opleiding over te stappen naar de niveau 4 opleiding tot allround politiemedewerker.
Hij had helemaal geen zin om binnen te zitten, voor het schrijven van beleidsstukken en grote verslagen.
Hij wilde het echte werk, de straat op “Boeven vangen”. 

Toen ik het, in de weken voorafgaand aan deze dag, met collega’s en medestudenten had over Hardy, spraken ze allemaal over dezelfde kenmerken. Oude Mercedes, in beide oren een oorbel, kale kop, groen bomberjack. Op het eerste gezicht geen politieman.  

Ik kan me nog goed de transformatie herinneren die Hardy onderging tijdens het aantrekken van zijn uniform. Hét uniform, welke hij ook aan had toen zijn vrouw Nicole, familie, vrienden en collega’s  afscheid van hem namen.

Samen met Hardy en nog een andere student ben ik een keer naar een kleuterschool geweest om daar te vertellen over het ‘politie zijn’.
Hardy, een grote kale man, werd behoorlijk indrukwekkend gevonden door de kinderen. Naast hem zitten dat ging nog, maar hem dan ook nog aankijken en een vraag stellen, dat vonden ze toch wel heel eng.
Angst voor de politie was ook de reden dat wij gevraagd waren om over ons vak te komen vertellen. Maar ik weet zeker dat nadat wij daar geweest zijn deze kinderen de politie niet meer eng vinden.  Die grote kale man, dat was toch wel een heel aardige en lieve politieagent.

Er stond hier vandaag een prachtige erehaag gevormd door studenten van de politieacademie.
Ook bij het afscheid van Hardy werd er door collega’s en medestudenten een indrukwekkend lange erehaag gevormd. Dit was een erehaag die veel trots maar ook verdriet uitstraalde.  

‘Trots’ omdat we op een symbolische manier onze laatste groet brachten aan een zeer gewaardeerde collega.
‘Verdriet’ omdat we afscheid namen van Hardy,  een geweldig persoon.

Hardy, je moest eens weten…
Ik sta hier, in deze prachtige Tuin der bezinning, over jou te vertellen.
Op het bureau in Dokkum hangt een foto van jou aan de muur.
Op school en in de teams waar je gewerkt hebt wordt nog veel aan je gedacht en over je gesproken.

Hardy ik heb het bij jou afscheid op je kist mogen schrijven. En ik wil het hier graag nog een keer hardop zeggen.…
Waarom, we zouden nog zoveel boeven gaan vangen.

Dank u wel.

De heer Van der Leij
Geestelijk verzorger van de Politie Amsterdam-Amstelland 
 

Ik lees een gedicht van Rutger Kopland.

WEGGAAN
Weggaan is iets anders
dan het huis uitsluipen
zacht de deur dichttrekken
achter je bestaan en niet
terugkeren. Je blijft
iemand op wie wordt gewacht.

Weggaan kun je beschrijven als
een soort van blijven. Niemand
wacht want je bent er nog.
Niemand neemt afscheid
want je gaat niet weg. 

Vertel eens, hoe is het nu voor u? U, als familie, vrienden, geliefden. Dat zou ik u vragen, als dit geen toespraak was en ik een gesprek met u zou hebben.

Wat is er gebeurd? Wat heeft dat voor u betekend? En ieder van u zal een verschillend verhaal vertellen. Voor ieder van u verschilt de situatie, waarin u nu bent en zich hier voelt. Er zijn eindeloos veel soorten verdriet. Vertel eens, hoe is het voor u?

En dan vertelt u.

Ik heb de radeloosheid in alle scherpte gevoeld. ’s Ochtends gaat mijn man de deur uit, en ’s middags krijg ik een telefoontje bij het winkelcentrum. De politie wil me spreken. Ik voelde de ontreddering: “Dit voelt niet goed, dit voelt niet goed.” Verbijstering en ongeloof.

Als ik u zou vragen, vertel eens, dan vertelt iemand anders van u. 

Ik ken de worsteling, het schrijnende gemis. Bij de voorbereiding van deze tuin komt het verzoek of mijn broer vermeld mag worden. Het is 27 jaar later. Jarenlang hebben wij niets van het politiekorps gehoord. Op straat herkende een politievrouw mij als zus.
Ik was er zo mee bezig, het gemis van mijn broer. Wij waren er zo verdrietig onder, mijn moeder en ik, opnieuw, als een soort worsteling.

Als ik u ernaar zou vragen, hoe uw verhaal is, dan vertelt u.

Mijn moeder stond er alleen voor in 1962, met drie jonge kinderen. De voorzieningen waren nog niet zo goed als nu, ook financieel niet. We hebben ons moeten redden. Het is levensbepalend voor ons geweest onze vader te moeten missen.

Als ik u uitnodig, dan vertelt u.

Het wordt met het jaar zwaarder, het verdriet om mijn zoon. Ik ben nu in de 70, ik wil graag op de overlijdensdag het hoofdbureau bezoeken. Ik ben op de bus gestapt. Ik sta voor de deur. Daarom bel ik op. Mag ik binnenkomen?

Deze Tuin is een erkenning van het leed dat u door geweld is aangedaan, of dat u door ongeluk is overkomen. De Tuin is een erkenning van uw gemis.

Uw geliefde was van onschatbare waarde in uw leven en elke dag is dit in uw herinnering. Hier en nu, door deze herdenking, leven wij mee met elkaar, met het verlies en wat het voor u heeft betekend.

Vanmiddag herdenken wij als Politie van Nederland onze politiemensen. Met eerbied zijn hier hun namen vermeld.

Als politiemensen delen we met elkaar een beroep met risico’s. Het gaat om de risico’s van alledag, soms klein, soms groot, maar onvoorspelbaar. Ineens kan het raak zijn.

Als politiemensen weten we waarvoor we staan. Om de veiligheid in onze samenleving te waarborgen zijn wij er. Veiligheid betekent, dat elk mens thuis een zoen geeft als afscheid, de deur achter zich dichttrekt en op weg gaat om ook weer veilig terug te keren.

Om de menselijkheid van onze samenleving te waarborgen zijn wij er. Wij zijn er als politie, zodat alle burgers de medemenselijkheid en hulp ervaren die zij bij noodsituaties nodig hebben.

Een woord van dank is in deze Tuin van Bezinning op zijn plaats.
Dank u voor het waardevolle werk dat u elke dag doet.
Dank u dat u het geweld en de agressie in de samenleving pareert.
Dank u dat u elke dag medemenselijkheid gestalte geeft.

Dit woord van dank klinkt te midden van de namen van onze overleden collega’s. Dankbaarheid geldt bovenal voor hen. Wij vergeten hen niet. Ik bid dat dit een vorm van thuiskomen mag zijn.

Deze tuin herinnert ons de namen en memoreert in stilte de woorden van Rutger Kopland:
Weggaan kun je beschrijven als een soort van blijven.
Niemand wacht, want je bent er nog.
Niemand neemt afscheid, want je gaat niet weg.

Je blijft iemand op wie wordt gewacht. 

Laatst gewijzigd 30-06-2011 10:18 |  © vts Politie Nederland  |  Privacy |