Klachtregeling Politie Twente
Gelet op artikel 61, lid 1, van de Politiewet 1993;
Gezien het voorstel van de beheerder van het regionale politiekorps Twente van 16 februari 2004
Overwegende:
dat het noodzakelijk is nadere regelen vast te stellen over de behandeling van klachten over gedragingen van ambtenaren van politie van het regionale politiekorps Twente;
dat een klachtregeling, met daaraan verbonden een registratie en publicatie van ingediende klachten, de legitimiteit van het politiewerk kan versterken, de kwaliteit van het politieoptreden kan verhogen, en de relatie tussen de burger en het regionale politiekorps kan verbeteren;
heeft in zijn vergadering van 16 februari 2004 besloten vast te stellen:
de volgende regeling met betrekking tot de interne behandeling van klachten over gedragingen van ambtenaren van politie van het regionale politiekorps Twente.
1.Begripsbepalingen
In deze regeling wordt verstaan onder:
a. korps: het regionale politiekorps Twente;
b. de korpsbeheerder: de beheerder van het regionale politiekorps Twente:
c. het regionaal college: het regionaal college van het regionale politiekorps Twente;
d. klacht: een schriftelijke dan wel mondelinge uiting van ongenoegen over een gedraging van een ambtenaar van politie van het korps, dan wel van een andere persoon die werkzaam is bij het korps;
e. klager: de indiener van een klacht;
f. commissie: de Commissie voor de politieklachten als bedoeld in artikel 3 van deze regeling;
g. klachtcoördinator: de functionaris als bedoeld in artikel 4 van deze regeling.
2. Verantwoordelijkheid korpsbeheerder
De korpsbeheerder is verantwoordelijk voor de behandeling, de registratie en de publicatie van klachten over ambtenaren van politie die zijn aangesteld bij het korps en van klachten over andere personen die werkzaam zijn bij het korps.
3. Commissie voor de politieklachten
1. Er is een commissie voor de politieklachten, die bestaat uit vijf onafhankelijke leden.
2. De commissieleden worden benoemd door het regionaal college, op voordracht van de korpsbeheerder.
3. De leden van de commissie worden benoemd voor een periode van drie jaar. Zij zijn eenmaal opnieuw te benoemen.
4. De korpsbeheerder wijst een secretaris aan. De secretaris is geen lid van de commissie.
5. De commissie is belast met de behandeling van en de advisering aan de korpsbeheerder over klachten die niet door middel van overleg met de klager of door middel van bemiddeling worden afgehandeld. Voor behandeling door de commissie zijn verder de bepalingen van artikel 9 lid 6 van toepassing.
6. Voor hun werkzaamheden ontvangen de voorzitter en de leden van de commissie een vergoeding. De hoogte daarvan wordt vastgesteld door of namens de korpsbeheerder.
7. De commissie stelt in een huishoudelijk reglement nadere regels vast omtrent haar werkwijze.
4. Klachtcoördinator
De beheerder van het korps wijst een ambtenaar aan die in de functie van klachtcoördinator is belast met de coördinatie van de klachtbehandeling en met de registratie van alle ontvangen klachten.
5.Indiening klacht
1. Klachten die niet bij de korpsbeheerder maar elders binnen de politieorganisatie of bij een burgemeester zijn ingediend, worden onverwijld doorgezonden naar de korpsbeheerder.
2. Indien een klacht moet worden doorgezonden naar een andere korpsbeheerder omdat de klacht betrekking heeft op een gedraging van een ambtenaar van politie die is aangesteld bij een ander politiekorps of op een gedraging van een andere persoon die werkzaam is bij een ander korps, zorgt de korpsbeheerder ervoor dat de klager schriftelijk wordt geïnformeerd over de doorzending van zijn klacht naar een andere korpsbeheerder.
3. Klachten die mondeling worden ingediend, worden door de ambtenaar die de klager te woord staat op diens verzoek op schrift gesteld en, na ondertekening door de klager, doorgeleid naar de korpsbeheerder. Het tweede lid is van toepassing.
6. Ontvangstbevestiging klaagschrift
1. De klachtcoördinator zorgt ervoor dat de indiener van een klaagschrift dan wel degene wiens mondeling ingediende klacht op schrift is gesteld, binnen een week na ontvangst daarvan bij de korpsbeheerder een ontvangstbevestiging en informatie over de procedure van klachtbehandeling wordt toegezonden. Indien een klacht om advies aan de commissie wordt voorgelegd, deelt de korpsbeheerder dit zo spoedig mogelijk mee aan de klager.
2. Indien een klaagschrift niet voldoet aan de eisen van artikel 9:4, tweede lid, van de Algemene wet bestuursrecht of indien het klaagschrift met toepassing van artikel 9:4, derde lid, van de Algemene wet bestuursrecht dient te worden vertaald, wordt de klager binnen twee weken na ontvangst daarvan in de gelegenheid gesteld om het verzuim binnen twee weken te herstellen dan wel om voor een vertaling te zorgen.
3. Indien de klager binnen genoemde termijn van twee weken niet overgaat tot herstel van het verzuim of tot de indiening van een vertaling, kan de korpsbeheerder besluiten de klacht buiten behandeling te laten. De klager wordt daarover binnen twee weken na het verstrijken van de hiervoor bedoelde termijn van twee weken geïnformeerd. Daarbij wordt hij gewezen op de mogelijkheid om vervolgens een klacht in te dienen bij de Nationale ombudsman.
7. Mededeling inzake niet in behandeling nemen klacht
Indien een klacht in verband met het bepaalde in het eerste of het tweede lid van artikel 9:8 van de Algemene wet bestuursrecht niet voor behandeling in aanmerking komt, doet de korpsbeheerder de klager daarover uiterlijk binnen vier weken na ontvangst van het klaagschrift schriftelijk en gemotiveerd mededeling. De klager wordt daarbij gewezen op de mogelijkheid om vervolgens een klacht in te dienen bij de Nationale ombudsman.
8. Advisering door burgemeester en hoofdofficier van justitie
1. Indien de burgemeester en de hoofdofficier van justitie in de gelegenheid worden gesteld om over de klacht advies uit te brengen, ontvangen zij van de klachtcoördinator desgewenst een kopie van de stukken die op de klacht betrekking hebben.
2. De korpsbeheerder stelt de burgemeester en de hoofdofficier een termijn waarbinnen zij over de klacht advies kunnen uitbrengen.
9.Klachtbehandeling
1. Binnen twee weken na de ontvangst van een klacht wordt overleg gevoerd met de klager. Dit overleg dient er onder andere toe om vast te stellen of de klacht door middel van bemiddeling kan worden afgehandeld, en om vast te stellen in hoeverre de klacht voor verdere behandeling in aanmerking komt.
2. Van het voeren van overleg, als in het vorige lid bedoeld, kan worden afgezien indien de korpsbeheerder van oordeel is dat zulks in het desbetreffende geval niet zinvol is.
3. Indien overleg of bemiddeling leidt tot een oplossing waarmee de klager tevreden is, wordt de klacht niet verder behandeld. De klager en degene op wiens gedraging de klacht betrekking heeft, worden schriftelijk geïnformeerd over de beëindiging van de klachtbehandeling.
4. In de gevallen waarin overleg met de klager of bemiddeling niet leidt tot tevredenstelling van de klager, wordt de behandeling van de klacht voortgezet met inachtneming van de bepalingen van de afdelingen 9.2 en 9.3 van de Algemene wet bestuursrecht.
5. Bij de voortgezette behandeling van de klacht wordt recht gedaan aan het beginsel van hoor en wederhoor; de klager en degene op wiens gedraging de klacht betrekking heeft worden geïnformeerd over elkaars standpunt en krijgen de gelegenheid daar op te reageren.
6. De klachtencommissie behandelt en adviseert over klachten in de volgende gevallen:
A. Schending van grondwettelijke waarborgen;
B. Schending ten aanzien van het korps;
C. Schending van zwaardere zorgvuldigheidseisen zoals in de sfeer van discriminatie of bevooroordeeldheid;
D. Disproportioneel gebruik van geweld;
E. Complexiteit van de ingediende klacht;
F. Indien de klachtcoördinator en de voorzitter van de klachtencommissie van mening zijn dat de aard en omstandigheden van de klacht zodanig zijn dat behandeling en advisering door de klachtencommissie gewenst is.
7. De korpsbeheerder is belast met de behandeling van de klachten die niet door de klachtencommissie worden behandeld.
10. Behandeling en advisering door commissie van andere politieregio
1. In geval van politieoptreden waaraan is deelgenomen door ambtenaren van politie die zijn aangesteld bij verschillende regiokorpsen of door personen die werkzaam zijn bij verschillende regiokorpsen, kan de commissie van de politieregio waarbinnen dit politieoptreden heeft plaatsgevonden op verzoek van de betrokken korpsbeheerders worden belast met de behandeling van en de advisering over klachten die samenhangen met dat politieoptreden.
2. Ook in andere gevallen kunnen korpsbeheerders een commissie verzoeken klachten te behandelen over gedragingen van ambtenaren van politie die zijn aangesteld bij een ander regiokorps of van personen die werkzaam zijn bij een ander regiokorps.
3. Indien de commissie een klacht behandelt over een gedraging van een ambtenaar van politie van een ander regiokorps of van een persoon die werkzaam is bij een ander regiokorps, brengt zij advies uit aan de beheerder van het regiokorps waarbij de betrokken ambtenaar van politie is aangesteld of waarbij de betrokken persoon werkzaam is. De beheerder van het regiokorps binnen wiens regio de gedraging heeft plaatsgevonden, ontvangt van de commissie een kopie van haar advies.
11. Verdaging
Indien de korpsbeheerder er niet in slaagt een klacht binnen tien weken of, indien de klacht ter behandeling en advisering aan de commissie is voorgelegd, binnen veertien weken na ontvangst van het klaagschrift, af te doen, draagt hij er zorg voor dat de klager en degene op wiens gedraging de klacht betrekking heeft vóór het verstrijken van de van toepassing zijnde termijn een mededeling van verdaging wordt gezonden.
12.Oordeel korpsbeheerder
1. De korpsbeheerder geeft in zijn afdoeningsbrief een gemotiveerd oordeel over de gegrondheid van de klacht. Hij zendt een kopie van zijn brief in ieder geval aan de klager, aan degene op wiens gedraging de klacht betrekking heeft, alsmede aan de commissie, voor zover die de klacht heeft behandeld.
2. Indien de burgemeester en/of de hoofdofficier van justitie gebruik hebben gemaakt van de gelegenheid over de klacht advies uit te brengen, zendt de korpsbeheerder ook aan hen een kopie van zijn afdoeningsbrief.
3. Bij het toezenden van zijn afdoeningsbrief aan de klager, wijst de korpsbeheerder deze op de mogelijkheid vervolgens een klacht in te dienen bij de Nationale ombudsman.
13. Registratie van klachten
De klachtcoördinator zorgt er namens de korpsbeheerder voor dat iedere klacht wordt geregistreerd. Bij de registratie worden gegevens opgenomen over de aard van de gedraging waarover is geklaagd, over de wijze van indiening en van behandeling van de klacht, over de doorlooptijd, en – indien van toepassing – over het oordeel van de korpsbeheerder over eventueel genomen maatregelen naar aanleiding van de klacht. Voor zover de commissie over de klacht heeft geadviseerd, wordt ook dit advies in de registratie opgenomen.
14. Publicatie
De korpsbeheerder draagt er zorg voor dat de in het vorige artikel bedoelde geregistreerde gegevens jaarlijks op overzichtelijke en geanonimiseerde wijze worden gepubliceerd. Deze publicatie gaat vergezeld van een toelichting, waarin wordt aangegeven in hoeverre bepaalde klachten wijzen op structurele tekortkomingen in het functioneren van het korps, en waarin wordt ingegaan op eventuele maatregelen om gesignaleerde knelpunten op te lossen.
15. Citeertitel
Deze regeling kan worden aangehaald als: “Klachtregeling regionale politiekorps Twente”.
16. Datum inwerkingtreding
Deze regeling vervangt de (Klachtregeling regionale politiekorps Twente d.d. 17 januari 1994 ) en treedt in werking op de dag met ingang waarvan hoofdstuk 9 van de Algemene wet bestuursrecht van toepassing is op de behandeling van klachten over de politie.
17.Overgangsbepaling
Toelichting op klachtregeling politie Twente
Algemeen
Artikel 61, eerste lid (nieuw), van de Politiewet 1993 draagt het regionale college op om, op voorstel van de korpsbeheerder, nadere regels vast te stellen over de behandeling van klachten over gedragingen van ambtenaren van politie van het regionale politiekorps Twente.
In het tweede lid van dit artikel is bepaald dat in deze nadere regels wordt voorzien in:
a. de instelling van een commissie, bestaande uit onafhankelijke leden, die op de wijze in de regeling te bepalen is belast met de behandeling van en advisering over in de regeling aangewezen categorieën van klachten;
b. de registratie van mondeling en schriftelijk ingediende klachten en, indien beschikbaar, de daarop genomen beslissingen, alsmede
c. een jaarlijkse publicatie van de geregistreerde klachten en beslissingen, waarin wordt aangegeven in hoeverre bepaalde klachten wijzen op structurele tekortkomingen in het functioneren van de politie en waarin, zo nodig, aandacht wordt geschonken aan de middelen om deze tekortkomingen op te heffen.
Ook het huidige artikel 61, eerste lid, van de Politiewet 1993 bevat een opdracht aan het regionale college tot het vaststellen van nadere regels over de behandeling van klachten over de politie.
Met het van toepassing verklaren van hoofdstuk 9 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) op de (interne) behandeling van klachten over de politie, vervalt de noodzaak tot het vaststellen van een uitgebreide Twentse politieklachtregeling. Een aantal wezenlijke eisen waaraan de (interne) behandeling van klachten over de politie dient te voldoen, is immers neergelegd in de Awb.
Aan het ook nog eens opnemen van deze eisen in de klachtregeling kleven meer na- dan voordelen. Een klachtregeling dient zaken “nader” te regelen, en niet nogmaals te regelen.
De klachtregeling kan niet los worden gezien van de eisen die de Awb stelt. Die eisen staan voorop, de klachtregeling bevat op enkele punten een nadere invulling.
De opgestelde klachtregeling bevat veel minder bepalingen dan de huidige regeling. Dit komt niet alleen doordat een aantal bepalingen in de Awb staat, maar ook doordat de oudere klachtregeling allerlei bepalingen van intern-organisatorische aard bevatten, die beter kunnen worden opgenomen in interne uitvoeringsregels.
Artikelsgewijze toelichting
Artikel 1
Ad letter d: In verband met de verplichting om ook mondeling ingediende klachten te registreren (artikel 61, tweede lid, onder b. van de - nieuwe - Politiewet) moet duidelijk zijn wat onder een klacht in de zin van de klachtregeling wordt verstaan. Gekozen is voor een ruime definitie. Strikt genomen vallen alle “uitingen van ongenoegen” onder de regeling. In de praktijk zullen veel van dat soort uitingen direct op de werkvloer worden opgelost. In veel andere gevallen is het evident dat degene die zijn ongenoegen kenbaar maakt niet een individuele reactie verwacht (bijvoorbeeld politieambtenaren die tijdens grootschalig politieoptreden worden uitgescholden door demonstranten). Het spreekt voor zich dat de klachtregeling niet voor dergelijke gevallen is bedoeld, en dat registratie van dergelijke uitingen niet noodzakelijk is.
Artikel 61 van de (nieuwe) Politiewet spreekt van “klachten over gedragingen van ambtenaren van politie van het regionale politiekorps”. Deze omschrijving is in de klachtregeling overgenomen. Daaraan is toegevoegd dat ook klachten over gedragingen van andere personen die werkzaam zijn bij het korps onder het klachtbegrip vallen. Daarbij kan worden gedacht aan uitzendkrachten of arbeidscontractanten die bij de politie werkzaam zijn. Klachten over bijvoorbeeld telefonische onbereikbaarheid van een politiepost of een bepaalde afdeling van een politiebureau kunnen in het algemeen worden herleid tot de ambtenaar van politie die op het bewuste moment dienst had. Klachten die uitsluitend betrekking hebben op het beleid van het korps, vallen buiten de reikwijdte van de klachtregeling. Omdat dergelijke klachten niet voldoen aan het vereiste van “een bepaalde aangelegenheid” van artikel 9:1, eerste lid, van de Awb, hoeven zij niet als klacht te worden behandeld. Aan de andere kant zal een klacht over een concrete gedraging vaak zijn terug te voeren op gevoerd beleid. De desbetreffende gedraging zal dan moeten worden getoetst aan het beleid.
Artikel 2
Ter voorkoming van ieder misverstand wordt uitdrukkelijk bepaald dat het de korpsbeheerder is bij wie de verantwoordelijkheid ligt voor de klachtbehandeling, en voor alles wat daarmee samenhangt.
Artikel 3
Ter voldoening aan het bepaalde in artikel 61, tweede lid, onder a. van de (nieuwe) Politiewet wordt in de regeling aandacht besteed aan de commissie die wordt belast met de behandeling van en de advisering over klachten.
Ad lid 5: de (nieuwe) Politiewet vraagt om de aanwijzing van categorieën van klachten ten aanzien waarvan de commissie wordt ingeschakeld. Op grond van de klachtregeling wordt de commissie belast met de behandeling van en de advisering over klachten waarvan de categoriesering wordt gevonden in de criteria van artikel 9 lid 6. Het ligt voor de hand dat een aantal klagers na een eerste gesprek al tevreden zal worden gesteld, zonder dat van bemiddeling kan worden gesproken. Uiteraard kan de bemiddeling mislukken, waarna de procedure wordt gevolgd. Ook bestaat de mogelijkheid dat de klager al direct laat weten dat hij een principieel oordeel van de korpsbeheerder wenst, of dat de korpsbeheerder direct na ontvangst van de klacht tot het oordeel komt dat de klacht zich niet leent voor bemiddeling.
Ad lid 7: het ligt voor de hand dat de klachtencommissie zelf haar werkzaamheden nader zal regelen. Dit kan zij doen door middel van een huishoudelijk reglement. De verantwoordelijkheid voor het opstellen en voor de inhoud daarvan ligt bij de commissie zelf.
In dit huishoudelijk reglement kan ook worden ingegaan op de splitsing van de commissie in kamers, op de verdeling van taken over de leden en op de organisatie van het horen.
Ten aanzien van het horen door de commissie van de klager en de aangeklaagde zij erop gewezen dat in artikel 9:15 van de Awb onder andere is bepaald welke rol de klachtencommissie in dat verband heeft. Van belang is met name dat de commissie, dan wel haar voorzitter of een lid, zelf hoort, en dat de commissie beslist over de vraag of van het horen van de klager kan worden afgezien. Dit hoeft dus niet nader te worden geregeld in de klachtregeling. Elke commissie kan in haar huishoudelijk reglement vastleggen op welke wijze zij uitvoering zal geven aan de relevante bepalingen van de Awb. Indien de commissie een jaarverslag wil uitbrengen, kan zij dat ook in haar huishoudelijk reglement vastleggen.
Artikel 4
Op het punt van de klachtbehandeling wordt een centrale rol toebedacht aan de klachtcoördinator. Het lijkt nuttig zijn rol te verankeren in de klachtregeling.
Vanzelfsprekend ligt het op de weg van het korps om te waarborgen dat alles wat met klachtbehandeling samenhangt ook tijdens afwezigheid van de klachtcoördinator op adequate wijze wordt gecontinueerd. Een regeling daarvoor hoort echter niet thuis in een klachtregeling, maar in interne uitvoeringsvoorschriften.
Artikel 5
Ad lid 1 en lid 2: in artikel 65, eerste lid, van de Politiewet is bepaald dat klachten over ambtenaren van politie worden ingediend bij de korpsbeheerder binnen wiens regio de aan de orde gestelde gedraging heeft plaatsgevonden. Het ligt voor de hand dat veel klachten niet bij de korpsbeheerder maar bij een andere functionaris van het korps, bij een burgemeester of bij een politiebureau zullen worden ingediend. Daarom is in het eerste lid van artikel 5 bepaald dat die klachten onverwijld worden doorgestuurd naar de korpsbeheerder. Van daaruit kunnen zij de reguliere procedure in. Ook met het oog op de registratie van alle klachten verdient de aanwijzing van één verzamelpunt (de korpsbeheerder; in de praktijk de klachtcoördinator) de voorkeur.
De doorzendverplichting is neergelegd in artikel 65, vijfde lid, van de (nieuwe) Politiewet. De indiener van de klacht dient op grond van het tweede lid van artikel 5 van de klachtregeling schriftelijk te worden geïnformeerd over de doorzending van zijn klacht naar de beheerder van een ander korps.
Ad lid 3: Omdat ook mondeling ingediende klachten “behoorlijk” dienen te worden behandeld (artikel 9:2 van de Awb) en omdat de Politiewet (artikel 61, tweede lid, onder b.) voorschrijft dat ook mondeling ingediende klachten worden geregistreerd, wordt bepaald dat dit soort klachten op schrift wordt gesteld. Het gaat daarbij uitsluitend om mondeling ingediende klachten die niet direct kunnen worden opgelost en waarop de klager kennelijk nog een reactie verwacht (zie definitie van het begrip klacht, artikel 1, onder c., van de klachtregeling). Zodra een mondeling ingediende klacht op schrift is gesteld en de betrokkene de op schrift gestelde klacht heeft ondertekend, kan de klacht de /reguliere procedure in. Het verdient de voorkeur voor het op schrift stellen van een mondeling kenbaar gemaakte klacht gebruik te maken van een standaard-formulier. Dit zou in een interne uitvoeringsregeling kunnen worden geregeld.
Artikel 6
Ad lid 1: de indiener van een klaagschrift dient op grond van artikel 9:6 van de Awb een ontvangstbevestiging te krijgen. Het ligt voor de hand betrokkene bij deze gelegenheid ook te informeren over de verdere procedure. Omdat bij de ontvangst van het klaagschrift vaak nog niet bekend zal zijn of het tot inschakeling van de commissie komt, verdient het de voorkeur betrokkene bij de ontvangstbevestiging een brochure te sturen waarin globaal is aangegeven welke procedure verder wordt gevolgd, en waarin is aangegeven dat inschakeling van de commissie tot de mogelijkheden behoort. Het ligt op de weg van het korps om heldere brochures op te stellen. Zodra duidelijk is dat de commissie om advies zal worden gevraagd, dient de korpsbeheerder de klager daarover op grond van artikel 61, derde lid (nieuw), van de Politiewet zo spoedig mogelijk te informeren.
In het eerste lid van artikel 6 is voorts tot uitdrukking gebracht dat een mondeling ingediende klacht die op schrift is gesteld, vervolgens op dezelfde wijze dient te worden behandeld als een schriftelijk ingediende klacht.
Ad lid 2 en lid 3: in artikel 9:4 van de Awb is bepaald aan welke vereisten moet zijn voldaan, wil een klacht voor behandeling overeenkomstig afdeling 9.2 van de Awb in aanmerking komen: het moet gaan om schriftelijke klacht (klaagschrift) en om een gedraging jegens de klager, het klaagschrift moet zijn ondertekend, en het moet ten minste de naam en het adres van de klager, de dagtekening en een omschrijving van de gedraging waartegen de klacht is gericht, bevatten. Daarnaast dient het klaagschrift in een taal te zijn gesteld die een goede behandeling daarvan mogelijk maakt.
Van de politie mag worden verwacht dat de indiener van een klaagschrift de gelegenheid krijgt een eventueel verzuim te herstellen, respectievelijk voor een vertaling te zorgen, voordat in verband met een (vorm)verzuim of in verband met feit dat klaagschrift in een onbegrijpelijke taal is gesteld, wordt besloten de klacht buiten behandeling te laten. De termijn voor het herstellen van een geconstateerd verzuim of voor het zorgen van een vertaling wordt gesteld op twee weken. Indien betrokkene binnen deze termijn niet overgaat tot herstel van het verzuim of tot de indiening van een vertaling en de korpsbeheerder in verband daarmee besluit de klacht niet in behandeling te nemen, dient dit binnen twee weken na ommekomst van genoemde termijn van twee weken aan de indiener van het klaagschrift te worden meegedeeld. Betrokkene moet daarbij worden gewezen op de mogelijkheid om daarover vervolgens een klacht in te dienen bij de Nationale ombudsman.
In het geval een klaagschrift niet het adres van de indiener bevat, zal uiteraard naar bevind van zaken moeten worden gehandeld.
Artikel 7
In artikel 9:8, eerste en tweede lid, van de Awb is bepaald in welke gevallen het bestuursorgaan niet verplicht is een klacht te behandelen. Deze uitzonderingen op de behandelplicht gelden onverkort voor klachten over gedragingen van ambtenaren van politie. Indien wordt besloten de klacht op een van de in artikel 9:8 genoemde gronden niet in behandeling te nemen, dan dient de korpsbeheerder dat schriftelijk aan de klager te laten weten. In aanvulling op artikel 9:8, derde lid, van de Awb wordt in de regeling voorgeschreven dat de mededeling over het niet in behandeling nemen moet worden gemotiveerd. De termijn voor het doen van een dergelijke mededeling is, conform het bepaalde in het derde lid van artikel 9:8, gesteld op uiterlijk vier weken.
Artikel 9:8 van de Awb luidt als volgt:
“1. Het bestuursorgaan is niet verplicht de klacht te behandelen indien zij betrekking heeft op een gedraging:
a. waarover reeds eerder een klacht is ingediend die met inachtneming van de artikelen 9:4 en volgende is behandeld;
b. die langer dan een jaar voor indiening van de klacht heeft plaatsgevonden;
c. waartegen door de klager bezwaar gemaakt had kunnen worden;
d. waartegen door de klager beroep kan of kon worden ingesteld;
e. die door het instellen van een procedure aan het oordeel van een andere rechterlijke instantie dan een administratieve rechter onderworpen is, dan wel onderworpen is geweest of,
f. zolang terzake daarvan een opsporingsonderzoek op bevel van de officier van justitie of een vervolging gaande is, dan wel indien de gedraging deel uitmaakt van de opsporing of vervolging van een strafbaar feit en terzake van dat feit een opsporingsonderzoek op bevel van de officier van justitie of een vervolging gaande is.
2. Het bestuursorgaan is niet verplicht de klacht te behandelen indien het belang van de klager dan wel het gewicht van de gedraging kennelijk onvoldoende is.
3. Van het niet in behandeling nemen van de klacht wordt de klager zo spoedig mogelijk doch uiterlijk binnen vier weken na ontvangst van het klaagschrift schriftelijk in kennis gesteld.”
De klager moet worden gewezen op de mogelijkheid om bij de Nationale ombudsman een klacht in te dienen indien de korpsbeheerder heeft besloten om zijn klacht niet in behandeling te nemen.
Een probleem waarmee een korps mee te maken kan hebben, is dat van de “veelklagers”, personen die vele klachten over vaak futiele zaken indienen. Het is niet mogelijk hun klachten op andere gronden dan die van de Awb buiten behandeling te laten.
Artikel 8
Ad lid 1: in artikel 65, zesde lid (nieuw), van de Politiewet is bepaald dat de burgemeester van de gemeente waar de gedraging waarover wordt geklaagd, heeft plaatsgevonden alsmede de hoofdofficier van de regio waarbinnen de gemeente is gelegen waar de bedoelde gedraging heeft plaatsgevonden, afschrift ontvangen van de klacht en in de gelegenheid worden gesteld over de klacht advies uit te brengen (tenzij reeds naar tevredenheid van de klager aan diens klacht tegemoet is gekomen). Het spreekt voor zich dat indien de burgemeester en/of de hoofdofficier in voorkomende gevallen de beschikking zullen moeten hebben over andere stukken met betrekking tot de klacht, teneinde zich een goed beeld te kunnen vorm van de zaak waarover het gaat. Daarom wordt geregeld dat zij kunnen verzoeken om ook afschriften te ontvangen van andere stukken dan alleen de klacht. In interne uitvoeringsvoorschriften kunnen op dit punt nadere regels worden gesteld.
Ad lid 2: de korpsbeheerder is voor de afdoening van de klacht gebonden aan de termijn van artikel 66 van de (nieuwe) Politiewet. Deze termijn bedraagt tien weken indien de commissie niet is ingeschakeld, en veertien weken indien de commissie is belast met de behandeling van en de advisering over de klacht. In verband met deze termijnen dient ook voor de advisering door de burgemeester en/of de hoofdofficier een termijn te worden gesteld.
Artikel 9
Ad lid 1: het antwoord op de vraag wat een klager met zijn klacht wil bereiken, is van groot belang voor de wijze waarop een klacht het meest efficiënt kan worden behandeld. Vaak zal pas uit overleg met de klager blijken welke aanpak het meest geschikt is. Overleg met de klager kan ook onduidelijkheden over de klacht ophelderen, en leiden tot een zekere stroomlijning van de klacht. Daarom is bepaald dat binnen twee weken na de ontvangst van een klacht (die in beginsel voor behandeling in aanmerking komt) overleg met de klager wordt gevoerd. Dit overleg kan worden gezien als een soort van intake-gesprek. Het overleg kan ook telefonisch plaatsvinden.
Ad lid 2: vanzelfsprekend zijn er situaties denkbaar waarin het houden van een “intake-gesprek” niet zinvol is. Bijvoorbeeld omdat de klacht zich qua aard niet leent voor bemiddeling, of omdat de klager in zijn klaagschrift duidelijk heeft gemaakt niet open te staan voor een poging tot bemiddeling maar in plaats daarvan een principieel oordeel van de korpsbeheerder te verlangen.
Ad lid 3: tussentijdse beëindiging van de behandeling van een klacht is op grond van artikel 9:5 van de Awb mogelijk indien het bestuursorgaan naar tevredenheid van de klager aan diens klacht tegemoet is gekomen. Op grond van het derde lid van artikel 9 van de klachtregeling worden de betrokkenen schriftelijk geïnformeerd over de beëindiging van de behandeling van de klacht. Door het zenden van een schriftelijke mededeling wordt voorkomen dat er misverstanden ontstaan over de vraag of er nog een actie van de zijde van de politie zal volgen. Met het doen van zo’n mededeling kan het klachtdossier worden gesloten.
Ad lid 4: indien overleg met de klager of een poging tot bemiddeling niet tot resultaat heeft dat de klager tevreden is gesteld, dient de behandeling van de klacht te worden voortgezet met inachtneming van de daarvoor geldende bepalingen van hoofdstuk 9 van de Awb. Gelet op artikel 3, vijfde lid, van deze klachtregeling dient de commissie daarbij te worden ingeschakeld. Van belang hierbij is dat de termijnen van artikel 66 van de (nieuwe) Politiewet (tien danwel veertien weken) beginnen te lopen op de datum van ontvangst van een klaagschrift. Dit betekent dat met een gesprek met de klager of met een poging tot bemiddeling niet te lang moet worden gewacht.
Ad lid 5: een van de vaste uitgangspunten bij een klachtbehandelingsprocedure is de toepassing van het beginsel van hoor en wederhoor. Klager en aangeklaagde dienen elkaar standpunten te kennen, en dienen de gelegenheid te krijgen op elkaar standpunt te reageren. Degene die is belast met de behandeling van de klacht dient ervoor te zorgen dat dit beginsel wordt toegepast.
Ad lid 6: de klachtregeling voorziet enerzijds in de verplichting om de Awb te integreren. Anderzijds geeft de klachtregeling aan waarbij zij de rol ziet voor de klachtencommissie. De opsomming van A tot en met E zijn ingegeven door de Nota naar aanleiding van het Verslag op het Wetsontwerp 27 731 “Wijziging van de politiewet 1993 in verband met de aanpassing van de politieklachtregeling aan hoofdstuk 9 van de Algemene wet bestuursrecht”. Om de opsomming niet te limiteren is een bepaling onder F opgenomen waarin voorzien wordt dat andersoortige klachten door de commissie wordt behandeld.
Ad lid 7: Op grond van de klachtregeling wordt de korpsbeheerder belast met de behandeling van klachten die niet door middel van overleg of bemiddeling worden afgehandeld c.q. waarvan de behandeling aan de klachtencommissie is opgedragen.
Artikel 10
Ad lid 1: de wetgever heeft ervoor gekozen de beheerder van het korps waarbij de ambtenaar van politie is aangesteld te belasten met de zorg voor de behandeling van klachten over gedragingen van die ambtenaar, ongeacht de vraag in welke regio de desbetreffende gedraging heeft plaatsgevonden. Onder andere in het geval van grootschalig politieoptreden, waarbij politieambtenaren van verschillende regio’s gezamenlijk optreden, kan dat betekenen dat verschillende korpsbeheerders klachten over gedragingen die hebben plaatsgevonden in het kader van één politieoptreden krijgen te beoordelen. Het ongemak dat daaruit voortvloeit kan voor een deel worden ondervangen door één commissie te belasten met de behandeling van en de advisering over die klachten.
Vanzelfsprekend moeten de betrokken korpsbeheerders het daar wel over eens zijn.
Over de vraag welk korps de kosten die in dergelijke gevallen samenhangen met de inschakeling van de commissie zal moeten dragen, dienen afzonderlijke afspraken te worden gemaakt tussen de korpsen.
Ad lid 2: het is denkbaar dat het ook in andere situaties dan die van politieregio-overschrijdend politieoptreden wenselijk wordt geacht de commissie in te schakelen voor de behandeling van en advisering over klachten die betrekking hebben op politieambtenaren die zijn aangesteld bij een ander korps of op andere personen die werkzaam zijn bij een ander korps. Het tweede lid biedt daartoe de mogelijkheid.
Ad lid 3: gezien het bepaalde in de Politiewet zal de commissie advies moeten uitbrengen aan de korpsbeheerder van het regiokorps waarbij de aangeklaagde is aangesteld of werkzaam is, en zal die korpsbeheerder een oordeel moeten geven over de gegrondheid van de klacht.
Artikel 11
Indien een klacht voor behandeling in aanmerking komt, geldt op grond van de (nieuwe) Politiewet een afdoeningstermijn van tien dan wel (bij inschakeling van de commissie) veertien weken. Deze termijn kan op grond van artikel 9:11, tweede lid, van de Awb voor ten hoogste vier weken worden verdaagd. Indien van deze mogelijkheid gebruik wordt gemaakt, dient de korpsbeheerder op grond van artikel 11 van de klachtregeling vóór het verstrijken van de van toepassing zijnde afdoeningstermijn een bericht van verdaging te verzenden. De bepaling dat dit bericht vóór het verstrijken van de termijn moet worden verstuurd, vormt een aanvulling op artikel 9:11 van de Awb. Overeenkomstig het bepaalde in artikel 9:11, tweede lid, van de Awb dient de mededeling van verdaging schriftelijk te worden gedaan aan zowel de klager als aan degene op wiens gedraging de klacht betrekking heeft.
Artikel 12
Ad lid 1: in aanvulling op artikel 9:12, eerste lid, van de Awb wordt in het eerste lid van artikel 12 van de klachtregeling voorgeschreven dat de korpsbeheerder in zijn afdoeningsbrief een oordeel geeft over de gegrondheid van de klacht. Een uniforme aanpak op dit punt heeft veel voordelen: niet alleen een heldere uitkomst voor alle partijen, maar ook een mogelijkheid voor uniforme registratie. Indien het gaat om een klacht met verschillende klachtonderdelen, zal per onderdeel een oordeel moeten worden gegeven. Vanzelfsprekend kunnen zich situaties voordoen waarin het niet mogelijk is een oordeel te geven, bijvoorbeeld omdat niet kan worden vastgesteld hoe de feiten liggen. Dat zal dan uitdrukkelijk in de afdoeningsbrief moeten worden meegedeeld.
Artikel 13
Zoals in de Algemene toelichting op de klachtregeling is aangegeven, dient het regionale college in de vast te stellen nadere regels over de behandeling van klachten onder andere te voorzien in de registratie van klachten. Op grond van artikel 61, tweede lid, onder b., van de (nieuwe) Politiewet dienen zowel mondeling als schriftelijk ingediende klachten te worden geregistreerd, alsmede, indien beschikbaar, de daarop genomen beslissingen.
Tot dusverre registreren alle regionale korpsen op hun eigen manier. De wet biedt hun daarvoor ook de mogelijkheid. Een (landelijk) uniforme wijze van registreren door alle korpsen biedt evenwel aanzienlijke voordelen. Het maakt onderlinge vergelijking mogelijk, en kan daardoor een beter inzicht bieden in de aard van de eventuele knelpunten. Daarnaast leidt het gebruik van één (landelijk) uniform registratiesysteem tot een meer eenduidige en meer efficiënte wijze van registreren. Voorwaarde is uiteraard dat een dergelijk uniform systeem tijdig wordt ontwikkeld. Zolang een landelijk uniform systeem niet beschikbaar is, kan gebruikmaking daarvan niet worden voorgeschreven. Gezien de inmiddels opgedane ervaringen rond de registratie van politieklachten zou de ontwikkeling van een landelijk uniform registratiesysteem niet op onoverkomelijke problemen moeten stuiten. Gelet op de breed gedragen voorkeur voor uniformiteit op dit punt, zou aan de ontwikkeling van zo’n landelijk uniform registratiesysteem prioriteit moeten worden gegeven.
Artikel 13 van de klachtregeling geeft, in vergelijking met genoemd artikel 61, tweede lid, onder b., meer gedetailleerd aan wat er moet worden geregistreerd.
Artikel 14
a. Het regelen van de publicatie van geregistreerde klachten is in artikel 61van de (nieuwe) Politiewet als volgt voorgeschreven:
”In de regels wordt voorzien in:
(…)
c.. een jaarlijkse publicatie van de geregistreerde klachten en beslissingen, waarin wordt aangegeven in hoeverre bepaalde klachten wijzen op structurele tekortkomingen in het functioneren van de politie en waarin, zo nodig, aandacht wordt geschonken aan de middelen om deze tekortkomingen op te heffen.”
In artikel 13 van de klachtregeling is nadere invulling gegeven aan deze bepaling van de Politiewet. Met name is ook voorgeschreven dat de klachten in geanonimiseerde vorm moeten worden gepubliceerd. Voor wat betreft klachten die niet zijn ingediend door natuurlijke personen maar die afkomstig zijn van actiegroepen of van instellingen en dergelijke kunnen uitzonderingen worden gemaakt op het beginsel van geanonimiseerde publicatie. Het ligt voor hand dat in dergelijke gevallen van geval tot geval wordt bezien wat raadzaam is. Eventueel kan op dit punt interne uitvoeringsregels worden opgesteld.
Artikel 15
Om te voorkomen dat de regeling op verschillende manieren wordt aangeduid, wordt een korte maar krachtige citeertitel voorgesteld: Klachtregeling politie + de naam van de regio.
Artikel 16
Ten einde misverstanden te voorkomen wordt de datum van inwerkingtreding van de nieuwe klachtregeling expliciet genoemd.

RSS
Lees voor
