Ga naar content

Politiewet

De politie handelde tot 1 januari 2013 op basis van de Politiewet 1993. Met ingang van deze datum is de Politiewet 2012 in werking getreden. Deze wet beschrijft het functioneren van de nieuwe politieorganisatie.

Kerntaken

De Politiewet omschrijft de taak van de politie als volgt:

De politie heeft tot taak in ondergeschiktheid aan het bevoegd gezag en in overeenstemming met de geldende rechtsregels te zorgen voor de daadwerkelijke handhaving van de rechtsorde en het verlenen van hulp aan hen die deze behoeven.

De politie zorgt dus dat burgers de wetgeving naleven door op te treden tegen overtredingen en misdrijven. Daarnaast beschermt zij iedereen die in Nederland woont of verblijft en verleent zij hulp aan mensen die deze nodig hebben. Kortom, de politie ordent de samenleving door ontsporingen – van burenruzies tot het optreden van criminele groeperingen – te bestrijden. Op lokaal niveau treedt de politie op onder het gezag van de burgemeester als het de openbare orde betreft. Waar het gaat om strafrechtelijke handhaving, treedt de politie op onder het gezag van de officier van justitie. Onder Pijlers leest u meer over de missie, visie en het motto van de politie.

Beschermen, begrenzen, bekrachtigen
Afhankelijk van de omstandigheden moet de politie beschermen, begrenzen of bekrachtigen. Bij het beschermen van burgers gaat het om hun leven, vrijheid en bezittingen. De politie grijpt in acute noodsituaties dwingend in, zonder aanziens des persoons. Waar anderen een stap terug doen, stappen politiemedewerkers naar voren en treden zij op, desnoods met geweld.

Bij begrenzen gaat het om het beperken en beëindigen van ongeoorloofd, al dan niet gewelddadig gedrag. De politie maakt veiligheidsproblemen beheersbaar of brengt ze terug binnen aanvaardbare grenzen. Aan onwettig gedrag, ongeacht of het kleine overtredingen of zware misdrijven zijn, stelt de politie paal en perk.

Bekrachtigen betekent ondersteuning van gewenst gedrag en het creëren van structurele samenwerkingsverbanden die de veiligheid bevorderen. De politie treedt dan met raad en daad op als betrouwbare en vakkundige partner in initiatieven van burgers, overheid, instellingen en bedrijven. Zij treedt op als eenheid en toont daadkracht waar en wanneer dat noodzakelijk is.

Basispolitiezorg en specialistische taken

De wettelijke taak van de politie brengt verschillende aspecten met zich mee zoals toezicht houden, strafbare feiten opsporen en hulpverlenen. Het is een heel breed werkveld, met te veel onderdelen voor één functie. Een politieagent kan niet alles weten en oplossen. Daarom zijn de taken bij de politie verdeeld in basispolitiezorg en specialistisch werk. Om de basispolitiezorg te ondersteunen werken bij de politie agenten met taakgerichte opleidingen en specialisten op uiteenlopende vakgebieden.

Basispolitiezorg
Basispolitieagenten zorgen 24 uur per dag voor een veilige en leefbare wijk, stad of regio. Hun werk bestaat globaal uit politietoezicht, preventieadvies bij bijvoorbeeld woningbeveiliging, afhandeling van verkeersproblemen, recherchewerk en hulpverlening. Als politiewerk meer kennis vereist, schakelt de basispolitieagent specialisten in. Bij Politietaken leest u meer over de basistaken en de specialistische politiewerkzaamheden.

Middelen

Voor het uitvoeren van haar werk beschikt de politie over middelen zoals handboeien, pepperspray en een vuurwapen. Zij heeft het zogenaamde geweldsmonopolie: het recht om geweld toe te passen. Uiteraard is dit het laatste middel dat de politie inzet. Agenten proberen altijd eerst om een situatie op een andere manier op te lossen. Wapengebruik – van het gebruik van de wapenstok en pepperspray tot het inzetten van een politiehond – moet een agent altijd melden. Bij vuurwapengebruik volgt altijd een onafhankelijk onderzoek.

De politie heeft de beschikking over uiteenlopende transportmiddelen. Niet alleen surveillanceauto’s en motoren, maar ook speciale voertuigen zoals waterwerpers, bussen, boten en uiteraard een luchtvloot met helikopters. Reguliere politieauto’s zijn uitgerust met onder meer zwaailichten, sirene, stoptekens, communicatiemiddelen en computers om onderweg politiebestanden te raadplegen. Daarnaast liggen er praktische zaken in de kofferbak zoals reflecterende vesten, dekens, een brandblusser en kogelwerende vesten.

Uniform
De politie is herkenbaar door haar uniform. De basis is een operationele broek, polo, jack en een cap. Agenten die extra op moeten vallen, bijvoorbeeld motoragenten, zijn gekleed in een fluorescerende, gele jas. Om hun middel dragen agenten een koppel – een riem voor hulpmiddelen zoals handboeien, pepperspray en portofoon. Overigens zijn niet alle agenten geüniformeerd. Rechercheurs dragen doorgaans burgerkleding.

Op het uniform van een politieagent zijn altijd rangonderscheidingstekens zichtbaar. Van hoog naar laag kent de politie de volgende rangen: hoofdcommissaris, commissaris, hoofdinspecteur, inspecteur, brigadier, hoofdagent, agent en surveillant. Een student heeft de laagste rang en wordt een aspirant genoemd. Wie als rangonderscheidingsteken alleen het politielogo draagt, werkt wel bij de politie, maar beschikt niet over de bijbehorende bevoegdheden. Deze zogenaamde niet-executieven mogen bijvoorbeeld geen bekeuringen schrijven of wapens gebruiken.